Leif de Leeuw Band

We ontmoetten elkaar voor het eerst in 2010, tijdens een repetitie met Sonny Hunt & The Dirty White Boys in Nieuwendijk. Eén avond oefenen en de volgende dag beginnen met een tourtje. Zo ging dat in de bluesrockband van gitarist Sonny Hunt uit Nashville, Tennessee. Meer tijd was er simpelweg niet.
Sonny hield er bovendien van om jong gitaartalent mee te nemen op zijn tours. Kon hij, bescheiden als hij is, zelf lekker een beetje op de achtergrond blijven en de jonkies laten vlammen. Zo hadden we sinds 2008 Rory in de band. En nu kwam Leif erbij als tweede ‘special guest’.

Vijftien was hij. Ik ruim drie keer zo oud. Sonny en bassist Dick nog ouder. Maar spelen kon hij als de beste. Zoveel was na de eerste paar nummers al wel duidelijk. Alsof hij al jaren in de band zat. En alsof hij helemaal niet piepjong was. Vergeleken met ons dan.
In de pauze van die eerste repetitie kwamen Leif en ik aan de praat. Over muziek. Want daar hebben muzikanten het meestal over. Of ze nou vijftien zijn of bijna vijftig. We kwamen er achter dat we veel gemeen hadden. Blues, rock, seventies. Hij was helemaal gek van Free en hun gitarist Paul Kossoff. Dat was nou ook toevallig. Ik liep met het idee voor een Free-tributeband.
Nou, als ik nog eens een gitarist nodig had, dan deed hij graag mee.
Er was weer een nieuwe vriendschap geboren. We spraken dezelfde taal, ondanks ons leeftijdsverschil. De taal van de muziek.

De tour met Sonny en zijn Nederlandse Dirty White Boys was meer dan leuk. Leif was een aanwinst, zowel voor ons als voor het publiek. Het was geweldig om een vijftienjarige zo goed te zien spelen.
Ondertussen was hij ook al bezig met zijn eigen Leif de Leeuw Band. Hij zocht nog een drummer, zo begreep ik al snel. En na een gig in Uden kwam het hoge woord eruit. Of ik interesse had om in de Leif de Leeuw Band te komen drummen? Zijn woorden klonken even voorzichtig als plechtig. Alsof ie een meisje verkering vroeg, zeg maar. Terwijl dat meisje het allang voelde aankomen.
Ik had er dus al diep over nagedacht. Het was, ondanks die leeftijd, een interessante optie. Leif was hét grote bluestalent van Nederland, we zaten op dezelfde muzikale lijn. En ik had geen vaste band op dat moment.

Zo werd ik drummer in de allereerste versie van de Leif de Leeuw Band. Gelukkig kregen we kort daarna een zanger die nog wat ouder was dan ik. Dat was wel prettig, was ik niet de enige halfbejaarde rocker in de band. We waren leeftijdstechnisch een nogal gemêleerd gezelschap, zeg maar.
In het begin speelden we nog merendeels covers. Albert Collins, John Mayer, Led Zeppelin, Jethro Tull en uiteraard Free. We waren dan wel geen tribute, maar hadden wel een stuk of vier Free-songs op de set staan.
We deden al snel de eerste optredens, waaronder een paar goeie support-shows in de Boerderij in Zoetermeer. En ondertussen kregen Leif en ik een sterke band. We reisden vaak samen. Ik pikte hem thuis op en dan gingen we op weg. Ik achter het stuur, hij verzorgde de muziek.
Tjonge, wat we allemaal niet hebben geluisterd tijdens die ritjes. Blues ja. En veel classic rock. Maar net zo goed oude soul, country en folk. En we genoten van Supertramp, Steely Dan, Eagles en onze gezamenlijke held Joe Walsh. Mocht Joe Walsh ooit nog eens naar Nederland komen – solo, niet met Eagles – dan gaan wij daar samen heen, hebben we toen besloten. Net zoals we in 2015 samen naar Jeff Beck zijn geweest en hem backstage een hand mochten geven. Ook zo’n held.

Veel overeenkomsten dus. Maar na verloop van tijd werd dat toch minder vanzelfsprekend, merkte ik. De taal en de drive van een tiener komen niet altijd overeen met die van een veel oudere bandmaat, die ook huisvader is. Andere verantwoordelijkheden heeft.
In het voorjaar van 2011 toerden we weer met Sonny. In een vol schema hadden we maar zo Tweede Pinksterdag, vrij.
“Zeg Han”, vroeg Leif in de pauze van een gig in Deventer, “zullen we die dag dan met mijn band gaan repeteren?”
Zijn lach was breed, als altijd. Zijn blik hoopvol.
En ik wist, hier gaat het mis. Ik keek uit naar een vrije Tweede Pinksterdag thuis. Mijn huisgenoten waren benieuwd hoe ik er ook al weer uitzag. Leif had een dag vrij en zin om dan te gaan repeteren. Het grote verschil tussen ons.

Een maand later besloot ik, na een klein jaar, te stoppen. Ik zei Leif dat hij op zoek moest naar een drummer van zijn eigen leeftijd. Ongeveer dan. Hij snapte het en de rest is bluesgeschiedenis. Want langzaam maar gestaag klom de Leif de Leeuw Band, inmiddels met drummer Tim Koning, naar de top van de Nederlandse bluesscene. En timmeren de mannen ook in het buitenland flink aan de weg.
Het is trouwens te beperkt om de band in het blueshokje te stoppen. Rock, prog, fusion, roots, het kan allemaal bij de Leif de Leeuw Band. Een beetje als al die muziek waar Leif en ik samen in de auto naar luisterden. Zo’n smeltkroes.
Drie albums en een EP bracht de band inmiddels uit. Daarop ook nog een enkele song uit mijn tijd. Liedjes waar ik nog enigszins aan meegeboetseerd heb, zoals de ballad My Color Blue van het album Leelah. Mooi om te horen wat er uiteindelijk van die ruwe ideeën is geworden.

Vorig jaar deed de Leif de Leeuw Band een Allman Brothers-tour. Speciaal daarvoor werd de band uitgebreid met een gitarist/zanger, een toetsenist en – uiteraard – een tweede drummer: Vlaming Joram Bemelmans. Ik zag de band eind vorig jaar in Austerlitz en werd werkelijk omver geblazen. Geweldig was het. En apetrots was ik op Leif, zijn band en niet in de laatste plaats de drumtandem Koning/Bemelmans. Mijn opvolgers.
De tour en de uitgebreide bezetting bevielen dusdanig goed, dat Bemelmans en ook toetsenist Rick Linzel vervolgens als vast bandlid werden aangenomen. De Leif de Leeuw Band is nu dus een formatie met twee drummers. En wat voor een drummers!

Wanneer Slagwerkkrant dan besluit om in de augustus-editie een aantal pagina’s in te ruimen voor bands met twee drummers, dan is het niet meer dan logisch om daarin ook het duo van de Leif de Leeuw Band aan het woord te laten.
Kon ik dat interview, als ex-bandlid, wel doen?, vroeg ik me even af.
Ja, dat kon, vonden zowel mijn eindredacteur als ikzelf. Mijn tijd in de Leif de Leeuw Band ligt ver achter me, de huidige bezetting is compleet anders. Bovendien, het ging niet om een kritisch journalistiek stuk, maar om een informatief artikel. Koning en Bemelmans vertellen daarin over hun samenwerking. Hoe werkt het, hoe bevalt het, wat is er zo bijzonder aan spelen met twee drummers?

Net zoals ik dit voorjaar een geweldig boeiend interview had met drumtandem J.J. Johnson en Tyler Greenwell van de Tedeschi Trucks Band, was ook het gesprek met Koning en Bemelmans bijzonder leuk. Twee jonge en vooral razend enthousiaste drummers. Van Leif zijn eigen leeftijd. En niet drie keer zo oud. Precies zoals ik het hem destijds had aangeraden.

Of ik daar ooit spijt van heb gehad, is me naderhand vaak gevraagd. Nee, nooit. Het is helemaal goed zo. Bij mij zijn nadien weer mooie andere dingen op mijn pad gekomen.
En Leif? Die draait als gezegd als een tierelier met zijn geweldige band.

Soms, eigenlijk te weinig, komen we elkaar tegen. Kort geleden, toen onze gezamenlijke vriend Sonny Hunt, bij wie het ooit allemaal begon, even over was uit Nashville, hebben we weer gejamd. ‘Little Wing’, ‘Voodoo Chile’ en natuurlijk dat mooie ‘Cause We’ve Ended As Lovers’ van Jeff Beck. Dan spreken we weer dezelfde taal. Die van de muziek.
En trouwens, ooit gaat die Free-tribute er komen. Dan weet ik wel nog wel een geschikte gitarist.

Cesar 70

Het is natuurlijk onvermijdelijk als je zelf ook een jaartje ouder word. En bent opgegroeid met de grote rockbands uit de seventies. Dan worden je drumidolen ook langzaam oude mannen. John Bonham, Cozy Powell, Mick Tucker, ze zouden nu allemaal 70 zijn geweest. Of + al zelfs. Ian Paice is het vorige maand geworden. En Cesar is het vandaag. 70 jaar.

Vroeger was je dan met recht oud. Zeker voor rock’n roll. Cesar niet. Die is still going strong. Net zoals die andere drie Earrings. Het blijven een soort van kwajongens. Maar iconen zijn het inmiddels ook. De band en de leden. Alle vier even onvervangbaar in de band. Met Cesar als mijn drumheld. Al 45 jaar.

Mensen kijken me soms aan of ik niet helemaal in orde ben, als ik vertel dat Cesar mijn favoriete Nederlandse drummer is. Er zijn, zo hoor ik dan, toch wel betere drummers!? Poeh ja, het zal vast. Maar ‘beter’? Het interesseert me maar matig. Uiteindelijk gaat het om wie het lekkerst boem-tjsak speelt. Maar ook om wie de beste uitstraling en performance heeft, de meest legendarische albums en songs heeft ingespeeld. En de fijnste danwel bekendste grooves.

Bij mij begon dat met de allerbekendste: de shuffle in Radar Love. Niet dat ik toen enig idee had van shuffles. Ik was elf. Maar het ritme dat Cesar aan het begin van Radar Love op zijn snare speelde, dat pakte. De drumsolo in het midden van de song nog meer. En helemaal dat bijbehorende filmpje dat ik zag op TV. Zal wel Toppop geweest zijn. Met die vier enorm stoere rockers. En Cesar achter zijn dubbele, zilverkleurige Fibes-kit. Relaxed, soepel, beetje goochelen met zijn drumsticks. Die coole houding, die gaandeweg zijn handelsmerk werd. Evenals zijn zo herkenbare boem-tsjak.
Ik werd Earring-fan. Maar vooral bewonderaar van Cesar.

Mijn voorkeur gaat naar het jaren zeventig-werk van de band. Instant Poetry, gaaf nummer. Nooit live gehoord trouwens; te lastig, denk ik. Maar ook Ce Soir, Sleepwalkin’, Just Like ince Taylor, Bombay. En wat te denken van Golden Earring Live. Een monument van een dubbelalbum. Nog steeds.

Over live gesproken. Ik heb ze heel vaak gezien, de Earring. De eerste keer, een kleine 40 jaar geleden, hier in mijn stad Zutphen, in de prachtige Buitensoos. Door Barry Hay wel eens het ‘Paradiso van de Achterhoek’ genoemd. Of ‘van het oosten’. Zoiets. Ze speelden er in ieder geval graag, want in de jaren tachtig kwam de Earring vrijwel jaarlijks naar Zutphen.
Meestal was ik erbij. Eerst nog gewoon als bezoeker. Die keer dat ik me, samen met vriend en geluidsman Jan Molema, na afloop van de show aan de rand van het podium stond te vergapen aan Cesar’s imposante, witte Pearl-kit. Zojuist volop bespeeld, nu stond die daar verlaten. Alleen dat vond ik al een beleving. Zo dicht bij zijn drumstel.
In die tijd heb ik mijn toenmalige drumkit – ook een Pearl, maar dan een zilvergrijze WLX – ook gemodelleerd naar die van Cesar. Dubbele bass, toms beetje recht, evenals de crashes. En dan één crash precies middenvoor tussen de racktoms. Zo had hij het ook.

Een paar jaar later, februari 1988. Ik was net aangesteld als popmedewerker bij de dagbladen hier in de regio. Powerplay was support van Golden Earring in de Buitensoos. Ik had een interviewafspraak met Powerplay’s Jan van der Meij en mocht na hun optreden backstage komen. Stond ik ineens per ongeluk midden in de kleedkamer van de Earring. Cesar zat op een stoel direct rechts naast de deur een beetje met zijn stokjes te tikken. Op te warmen, zeg maar. Ik wilde meteen rechtsomkeert te maken, maar bedacht me. Raapte mijn moed bij elkaar.
‘Eh…. Hallo’, zei ik.
‘Hoi’, zei Cesar.
En ik realiseerde me: dit is mijn kans. Ik gaf Cesar een hand, vertelde dat ik namens het Zutphens Dagblad kwam en op zoek was naar Jan van der Meij. Dan moest ik achter het podium langs naar de andere kleedkamer, wees hij me de weg. Ik vroeg nog of hij zin had om te spelen vanavond. Niet een enorm intelligente vraag. Maar hij antwoordde vriendelijk. Dat de Earring niet toert omdat het moet, maar omdat ze het gewoon heel graag doen, vertelde hij. Ik heb het nog meegenomen in mijn recensie.

Ik ging daarna richting Powerplay. Opgetogen. Want het meest belangrijke en tevens ongeplande interview had ik zojuist al achter de rug. Na afloop van het gesprek met Van der Meij nog een tijdje backstage naar de Earring en Cesar staan kijken. Zag ik hem daar van dichtbij. Relaxed, soepel, beetje goochelen met zijn sticks. Mijn avond was meer dan geslaagd.

Een tijdje later ook nog eens wat onaardigs geschreven over Cesar, trouwens. Hij deed, ook in de Buitensoos, een drumsolo met een handdoek over zijn hoofd. Die handdoek vond ik, in vergelijking met die spectaculaire act met dat jasje met samples van eerdere tours, maar zo zo. Dat stond de maandag erna in de krant. Dinsdag lag de eerste boze brief al op de redactie. Handgeschreven; email en social media, dat kenden we niet. Het was nog net geen doodsbedreiging. Ook dat bestond nog niet. Maar de boodschap was duidelijk: kom niet aan de Earring. Of aan Cesar.
Zo is het natuurlijk eigenlijk ook.

En dus ging ik kort daarna vol goede moed voor de krant naar een middelbare school hier in de regio. Cesar gaf er een clinic. Hij droeg die middag een sweater van het nieuwste Earring-album Love Sweat. ‘Een Love-sweater’, schreef ik nog heel bijdehand in mijn artikel.
Maar vooral mooi om te zien hoe hij dat deed met die pubers. Losjes, geintjes en ondertussen speelde hij toch wel heel lekkere dingetjes, viel me op. Van die hoogstandjes en exotische ritmes die hij tijdens Earring-shows niet kwijt kon. Daar op die school heb ik Cesar nog een paar korte vragen gesteld. Maar een uitgebreid interview zat er niet in.

Ook niet die keer in Musis Sacrum in Arnhem. Golden Earring speelde er unplugged. Het album Millbrook USA was net uit en ik zou een interview doen voor het toenmalige magazine People & Music. Eenmaal backstage viel ik midden in het diner van de band. Cesar legde, net als de andere bandleden, netjes zijn mes en vork neer, rommelde nog even wat met zijn servet en gaf me een hand.
‘Cesar’, zei hij. Ja, dat wist ik wel.
Vervolgens nam Barry Hay de honeurs namens de band waar. Ook goed en leuk. Misschien wel de beste Earring als het aankomt op pittige uitspraken en dus een leuk artikel. Maar een mogelijk interview met Cesar ging weer aan mijn neus voorbij.
Wel een mooie gig gezien, later die avond. Akoestisch, klein drumkitje. Maar toch. Relaxed, soepel, beetje goochelen met zijn drumsticks. Cesar.

Misschien maar goed ook dat het echte interview er niet kwam. Van alle hier in het begin genoemde drummers heb ik er nooit één geïnterviewd. Helden moet je eigenlijk ook niet spreken, die moeten een beetje mythisch blijven. En dat is Cesar nog altijd.

Niet alleen voor mij trouwens. Vraag een willekeurige oudere jongere in ons land wie Cesar is en een enkeling zal iets roepen over Julius. De rest zegt Zuiderwijk. En Golden Earring. Een grotere rockband heeft ons land nooit gehad. Een groter drumicoon is er nooit geweest. Die zal er ook niet komen.

Ooit, ergens in 1989, schreef ik een recensie over een Earring-concert in het Overijsselse Holten. Het was gewoon een ouderwets goeie show. Maar ook wel wat voorspelbaar, vond ik. Ik schreef dat de mannen een dagje ouder werden. Rond de 40 al wel. Vroeg me af hoelang ze het nog zouden volhouden. ‘De Nederpop (zo heette dat toen) zonder Golden Earring, dat zou raar zijn’, eindigde ik mijn stukje.

Mijn twijfel over de houdbaarheid van de Earring bleek nogal een misvatting. Dertig jaar later, ze zijn er nog steeds. Is Cesar er nog steeds. Sterker nog, sinds ik me bewust ben van pop- en rockmuziek, sinds ik ben gaan drummen, is hij er altijd geweest.
En ik hoop oprecht dat het nog even zo blijft. 70 is niet piepjong, nee. Maar tegenwoordig ook niet meer stokoud. Zeker niet voor kwajongens als de Earrings. Zeker niet voor Cesar. Nog altijd relaxed, soepel, beetje goochelen met zijn sticks.

Cheerz Cesar, dank voor alle muziek, drums en inspiratie. En vooral: van harte en nog heel veel jaren!
En dat van die Nederpop zonder Golden Earring? Laat dat nog maar een jaartje of wat wachten!

Herman Brood Academie

Het was me wat. Herman Brood kwam. Nederlands’ meest beruchte rock’n roller. Toen al. Het was maart 1981 en Brood ging met zijn Wild Romance optreden op een zondagmiddag in zaal Molenzicht. Een heel gebeuren voor een dorp waar hooguit soms een plaatselijke band optrad tijdens de jaarlijkse zwemvierdaagse.
Blackbury Accident was zo’n plaatselijke band. We timmerden al een jaar of twee aardig aan de weg in de regio, hadden een dikke maand eerder onze single Overdose Of Love uitgebracht en zodoende mochten wij die zondagmiddag openen voor Herman Brood.
In het voorprogramma van een beroemde band. Dat was ook wat!

Het Brummens Weekblad maakte er netjes melding van. Zoals dat in die tijd gebeurde. De krant had, als ik het me goed herinner, één correspondent cq redacteur: mijnheer Nauta. Een statige oude man, met vaak plechtig taalgebruik. Niets in het dorp ging voorbij zonder dat mijnheer Nauta aanwezig was en er mooi verslag van deed.
Ook vooraf schreef hij al een stukje over het komende concert. Over een band die garant staat voor een ‘puike swingende middag’; dat ‘puik’ had hij vast niet zelf verzonnen. En dat Blackburry Accident het voorprogramma zou verzorgen.
Bijna iedereen schreef onze bandnaam fout in die tijd. Zelfs mijnheer Nauta.

Het was niet de eerste keer dat we support act waren. Zo hadden we een half jaartje eerder in Eerbeek al geopend voor Diesel, de band van nederpopklassieker Sausalito summernight. Een om meerdere redenen gedenkwaardige avond, maar niet vanwege het leuke optreden. Een goed geluid was ons door de hoofdact toen namelijk niet gegund. Het was bar slecht zelfs.
Hoe anders was dat bij Herman Brood. Zijn geluidsmensen verleenden ons alle medewerking. Toen we eind van de ochtend in Molenzicht aankwamen, stond de backline van de Wild Romance al gesoundcheckt klaar. Wij mochten er voor opbouwen. Ik kreeg een flinke monitorbox links naast me.
Wat ik daarop wilde horen? Ik had geen idee eigenlijk. Was niet gewend om met een goeie monitor te spelen. Dus gaf de monitorman me als test eerst maar eens wat bassdrum over de monitor. Ik trapte m’n pedaal in en hoorde en voelde de power uit de speaker komen. Wauw! Dat was met recht een kick. Beetje snare erbij, basgitaar, zang, een spatje gitaar; ik was de koning te rijk met zo’n power naast me uit die ene speaker.
Wel geinig trouwens om te merken hoe dingen door de tijd veranderen. Tegenwoordig komen monitorjongens ook altijd netjes informeren wat ik over mijn monitor wil horen. “Doe maar niks”, zeg ik dan meestal. En ze kijken verbaasd. “Huh…. niks??” Maar onze band is op het podium zo in balans dat een harde drummonitor dat alleen maar verstoort. Hooguit op grotere podia een beetje basgitaar en kick. Meestal meer dan genoeg.

Maar op die zondagmiddag in het vroege voorjaar van 1981 kickte ik op die fijne monitor. We hadden een heerlijk optreden. Ons beste tot dan toe. Volle zaal, goeie respons, goed geluid. Zoiets. Ik weet het allemaal niet meer precies, maar herinner me vooral bij de hele band een soort euforie achteraf.
Die werd alleen maar versterkt toen we na een uurtje spelen terugkeerden naar het tot kleedkamer gebombardeerde zijkamertje van Molenzicht’s café. Wie zat daar? Herman met z’n drie bandleden. Nieuwe bandleden dat wel. De succesbezetting van Shpritsz en Cha Cha was vervangen door een geheel nieuwe Wild Romance. Maar dat deed weinig aan de opwinding af.
Zaten we daar ineens, moe maar zeer voldaan, aan eenzelfde tafel als Herman Brood en zijn band. Ik raakte in gesprek met drummer Anthony Del Monte Lyon. Een vriendelijke Hagenaar, maar vooral een hele fijne, steady rockdrummer. Later zou hij nog opduiken in bands als Personnel, De Steile Wand en De Raggende Manne. Vijf jaar geleden is Del Monte Lyon overleden. Ik schrok ervan toen ik het las.

Ik geloof niet dat ik die middag iets gezegd heb tegen gitarist David Hollestelle en bassist Wally Langdon. En al helemaal niet tegen Herman Brood zelf, die er wel was, maar eigenlijk ook weer niet. Hij maakte, zeg maar, geen enkel contact met de rest van de aanwezigen, daar in dat kleine zijkamertje van Molenzicht. Brood zat in zijn eigen kamertje.

Soortgelijks had ook mijnheer Nauta gemerkt. Naar verluidt was onze correspondent voorafgaand aan Brood’s optreden vol goede moed diens kleedkamer ingestapt om hem wat vragen te stellen. Hoe hij het nou vond om in ons mooie dorp op te treden? Dat soort dingen. Maar daar had Herman helemaal geen oren naar. Ik vermoed dat hij ook geen flauw benul had in welke dorp hij vandaag weer was terechtgekomen.
Dus mijnheer Nauta kreeg, zo hoorde ik later, geen enkel zinnig woord uit onze rock ’n rollheld en droop teleurgesteld, maar vooral geïrriteerd weer af. Begrijpelijk wel.
Herman Brood had geen beste beurt gemaakt bij de verslaggever, die dat vervolgens netjes, maar evenzeer vilein in zijn artikel opschreef.
‘Beter dan de heer Herman Brood, die buiten zijn optreden een volledig gemis aan educatie aan de dag legt’, zo lazen wij de woensdag erop in de nieuwe editie van ons weekblad.

Kort geleden, pakweg 37 jaar na dato, waren we met onze zoon op een prachtig mooi florerende en bruisende muziekopleiding in Utrecht. Genoemd naar die legendarische muzikant met dat volledige gebrek aan educatie.
De Herman Brood Academie.
Mijnheer Nauta had het niet zullen geloven.

Cozy

Zo af en toe eens even je rommel opruimen. Je komt nog eens wat tegen.
Zoals een oud lijstje dat ik ergens eind jaren zeventig kreeg van mijn kleine broertje. Die inmiddels al ruim de 40 is gepasseerd. Maar kleine broertjes blijven altijd kleine broertjes.
Ik ben bijna tien jaar ouder. Dus ik was zeker in die tijd zijn grote broer. Of grote broers dat door de jaren heen ook altijd blijven weet ik eigenlijk niet. Ik zal het eens bij mijn kleine broertje informeren.

Maar mijn broertje, hij zal niet ouder zijn geweest dan een jaar of acht, had destijds voor zijn grote broer een single op de kop getikt van Rainbow. L.A. Connection en op de achterkant Lady Of The Lake. In rood vinyl. Hij had van de single, de hoes en twee plaatjes van bandbaas Ritchie Blackmore een leuke collage gemaakt en die in een lijstje verpakt.
Ik kreeg het cadeau. Geen idee meer waarvoor. Misschien wel zomaar. Maar ik was er zeer verguld mee. De lijst heeft sindsdien in ieder huis waar ik woonde ergens aan de muur gehangen. Totdat het glas vorig jaar sneuvelde en de lijst tussen de rommel belandde. Waar ik hem laatst weer uithaalde.
Rainbow was de eerste échte rockband waar ik enorm fan van was. Tot die tijd luisterde ik, zoals hier wel vaker verteld, naar de singles van Status Quo, Alice Cooper, Queen, Slade en vooral The Sweet, met terugwerkende kracht toch ook allemaal serieuze rockbands trouwens. Maar Rainbow was een band van LP’s. En met Cozy Powell als drummer!

Cozy Powell, na Sweet’s Mick Tucker mijn tweede grote held. Ik was een jaar of elf toen Powell als drummer (!) een singlehit had met het op Hendrix’ Third Stone From The Sun gebaseerde Dance With The Devil.
Ik zag hem met zijn grote red sparkle Ludwig-kit in Toppop dat nummer drummen. Twee 26″ bassdrums, de maten zeiden me toen nog niks. Maar wel zijn naam erop. Cozy op de linkse bassdrum, Powell op de rechtse.
Dat leek me ook wel wat. Maar ja, in mijn geval zou dat drie letters op de één en tien op de andere betekenen. Dat zag er niet uit, de hele boel uit z’n evenwicht. ‘Cozy Powell’, dat klonk en oogde veel beter.

Hij intrigeerde met mateloos. Dus dat Powell een jaar of vijf later ineens opdook bij Rainbow, de nieuwe band van Deep Purple’s Ritchie Blackmore, was een enorme verrassing.
En dan die zanger, Ronnie James Dio. Alleen die naam al! Ronnie James Dio.
Maar vooral die stem. Zo krachtig, dat had ik nog nooit gehoord.
De live-dubbelaar On Stage was het eerste wat ik van Rainbow kocht en plat draaide. Ik drumde vooral mee op kant 1 en 4 van het album. Kill The King, Still I´m Sad en de slowblues, simpelweg Blues getiteld. Mijn eerste kennismaking met blues. Nu nog, als ik met The Veldman Brothers een slowblues speel, zit er altijd wel ergens een Powell-dingetje doorheen.
Na On Stage kocht ik Long Live Rock´n Roll en, met iets terugwerkende kracht, Rainbow Rising. Deze tweede platen strijden al jaren in mijn lijstje om de titel ´Beste Classic Rockalbum Ever´. Net zoals trouwens Rainbow, Purple en Zeppelin om de titel beste classic rockband.
Ik neig telkens weer naar Rising, maar Long Live Rock´n Roll is ook een klassieker. Afsluiter Rainbow Eyes is weliswaar wel erg zoetjes, maar Gates Of Babylon, tjonge wat een song en wat een heerlijk drumwerk van Cozy Powell! Maak me midden in de nacht wakker en ik speel de groove en fills nog altijd direct mee.

Het navolgende Down To Earth viel wat tegen. Dio was vertrokken, de mij destijds onbekende Graham Bonett zijn vervanger. Best nog wel goeie songs, zoals Eyes Of The World, maar de grootse, mystieke magie was verdwenen. Vooral de pakkende cover Since You Been Gone was een knieval naar meer commercieel succes. Dat zette zich op latere albums door. Rainbow werd langzaam een soort van AOR-band.
Maar op die latere albums had Cozy Powell z’n biezen al gepakt. Ik vraag me nog altijd af of hij eigenlijk op het Dio-loze Down To Earth de lol er al niet afhad. Zijn drumwerk op die plaat is powerfull en strak als altijd, maar ik mis de creativiteit. Opvallend is dat hij op de hele plaat vrijwel geen toms gebruikt. Fills enkel op de snare. Allemaal raak, dat wel.
Ik had er een gemengd gevoel over. Maar dat wilde ik als Rainbow- en Powell-adept niet toegeven.

Tegelijkertijd was ik enorm opgetogen dat ik op 2 februari 1980 met een groepje oudere dorpsgenoten mee mocht naar de Rotterdamse Ahoy, waar die avond de Down To Earth-tour van Rainbow zou neerstrijken. Ik zou mijn held Cozy Powell voor het eerst in het echt gaan zien!
Ook dat viel tegen. Vanaf de tweede ring van de Ahoy keken we deels tegen een muur van aloude P.A.-kasten aan. Het ontnam mij vrijwel volledig het zicht op Powell. Ik herinner me alleen een spiegel ergens op het podium dichtbij bij de drumkit. Geen idee wat die daar deed, maar daardoor kon ik een glimp van Powell en zijn grote drumkit opvangen. Geen Ludwig meer trouwens, maar een metallic Yamaha.
En ook de setlist stelde teleur. Vrijwel niets van Rising of Long Live Rock’n Roll. Na openingstune Over The Rainbow verwachtte ik Powell’s keiharde flam op de snare en daarna het intro van Kill The King. Net zoals op On Stage. Maar het beginmuziekje werd gevolgd door het keyboard-intro van Eyes Of The World, waarna de in een colbert en vetkuif gehulde Graham Bonnet het podium op kwam. Hij leek op Elvis.

Cozy Powell speelde nog wel zijn destijds fameuze drumsolo met daarin Tsjaikovski’s ‘Ouverture 1812′ verwerkt. Maar goed, dat bombastische stuk hoorde ik alleen maar. En Blackmore sloeg aan het eind traditiegetrouw zijn witte Fender Stratocaster aan diggelen. Waarvan iedereen beweerde dat hij de Fender even daarvoor had vervangen door een goedkope imitatie.
De witte gitaar, of wat er van over was, hing aan het eind van de show eenzaam boven het podium, aan een paar laatste snaren. Een felle spot erop gericht. Over The Rainbow klonk weer uit de grote P.A.-boxen. De zaallichten gingen aan en de Ahoy liep langzaam leeg.
Ik was vast niet de enige met gemengde gevoelens.

Later nog wel eens naar Rainbow geweest. Maar de grootsheid van het illustere trio Blackmore/Powell/Dio was er nooit meer. Om over die reunie-gigs van vorig jaar – afgaande op YouTube althans – maar te zwijgen. David Keith in de rol van Cozy Powell. Hoe bestaat het. En mevrouw Blackmore in het achtergrondkoortje. Een koortje bij Rainbow! Ronnie James Dio zal zich in zijn graf hebben omgedraaid.

Gelukkig heb ik Cozy Powell in de jaren tachtig nog een paar keer gezien. Goed gezien ook. In Vredenburg met MSG en Whitesnake. In de Jaap Edenhal met Black Sabbath, waar die avond letterlijk de plafondplaten naar beneden kwamen.
Ook die keren speelde hij telkens dat bombastische Ouverture 1812. Een stuk waarvan ik midden jaren tachtig een eigen versie maakte. In de bibliotheek wat klassieke LP’s geleend, vooral Tsjaikovski uiteraard. Daar wat zware passages uitgehaald, die achter elkaar geplakt op een cassetteband en daar deed ik dan mijn drumsolo op in die tijd. Kitscherig en eigenlijk helemaal niet moeilijk. Maar de bombast werkte goed. Met dank aan Cozy Powell!

In 1998 is mijn held helaas omgekomen door een auto-ongeluk. Dat was schrikken. 50 jaar, nog een half muziekleven voor zich. Maar een imposante carrière achter zich.
Later ontdekte ik zijn vroege werk met de Jeff Beck Group. En kort voor zijn dood werkte Powell nog met bluesheld Peter Green. Powell was veel meer dan die harde houthakker die hij in de jaren tachtig en negentig werd. Hij was zeker ook van de groove, de blues en de funk. Dat is ook te horen op zijn soloalbums.

Maar voor mij was Cozy Powell op zijn best in Rainbow. Op Rising, On Stage en Long Live Rock ’n Roll. Die rode vinyl-single is daar een mooi aandenken aan. Ik heb nog even gegoogeld, was toch benieuwd of die bijzonder is. Op Amazon kost de single dertien dollar. Niet enorm bijzonder dus. Maar ik doe ‘m hoe dan ook niet weg. Voor mij is die wél bijzonder.
Mijn vrouw heeft er inmiddels een nieuwe lijst omheen gedaan. De collage van mijn kleine broertje intact gelaten. Ze kent mijn sentiment.
Kan ik hem weer ophangen, dat cadeau van mijn kleine broertje. In m’n drumruimte, dat lijkt me mooie plek. Jonge drummers af en toe even wijzen op één van de beste classic rockbands ooit. Maar vooral op mijn grote jeugdidool: Cozy Powell.

Accordeon

Afgelopen weekend afscheid genomen van mijn accordeon.
Had jij een accordeon dan??
Ja, al 45 jaar. Waarvan ik er de eerste drie jaar op heb gespeeld. Twee misschien.

De andere 42 jaar, 43 misschien, is het ding achter me aangereisd. Ik kon er moeilijk afscheid van nemen, het eerste echte instrument waarop ik heb leren muziek maken. Naast mijn wasmiddeldozendrumstel dan.
Het was een heuse Marinucci, naar verluidt best een goed merk. Twee-korig, 80 bassen. Overal waar ik woonde ging hij mee, die grijze accordeon. Stond die daar weer, in de kamer, op de slaapkamer, als decoratie in de gang of gewoon weggestopt op zolder. Maar altijd was die in de buurt.
De laatste jaren had hij een vast plekje op onze werkkamer. Alleen als ik ging stofzuigen, werd die even van zijn plaats getild. Maar dat gebeurde niet zo vaak.

Het ding stond er dus maar te staan. Zet me een eenvoudige partituur voor de neus en ik zou er nog best iets van kunnen maken, maar het gebeurde nooit. Laatst suggereerde mijn zwager dat de accordeon best nog eens van pas kon komen voor het geval The Veldman Brothers een zydeco-nummertje zouden gaan doen. Blues & Roots is een breed begrip tenslotte. Dat laatste kon ik niet ontkennen. Maar waarschijnlijk val ik dan enorm door de mand.

Zo gebeurde het dat hier in huis steeds vaker de term Marktplaats viel. En uiteindelijk kwam het er van. Het ding stond nog maar net te koop of er meldde zich al een Twentse handelaar in accordeons. Met naam en website, het klonk vertrouwd, dus een deal was snel gesloten.
‘Je mag hem komen halen’, schreef ik.
‘Wil je hem opsturen?’, mailde hij terug.
Opsturen? Zo’n enorm ding, waarvan de grote bruine koffer met die Alice Cooper-sticker ergens in de afgelopen 40 jaar is kwijtgeraakt. Dat dan weer wel.
Ik had geen idee in wat voor envelop of doos ik de accordeon dan wel zou moeten versturen.

Maar, zo realiseerde ik me ineens, komende vrijdag moet ik spelen in Hengelo. Dat pittoreske Twentse dorpje waar de accordeon-handelaar woont, ligt daar toch ergens in de buurt. Dacht ik althans.
‘Ik kom hem vrijdagavond wel even brengen’, mailde ik de man.
Oh, daar was hij wel blij mee. En we spraken een extraatje voor de moeite en benzine af.

Maar goed, net zoals veel mensen ten onrechte denken dat Zutphen en pakweg Groenlo heel dichtbij elkaar liggen, zo bleek dat evenmin het geval met Hengelo en dat mooie dorpje, ontdekte ik vervolgens al snel. Heb zo’n beetje half Twente gezien, afgelopen vrijdagavond. Gelukkig hoefde ik pas om half tien op het bluesfestival in Hengelo te zijn, dus ik had de tijd. En beloofd is beloofd.

De accordeonreparateur legde de Marinucci op de keukentafel en bekeek hem aandachtig. Rammelde er wat aan, blies wat stof weg en vroeg vervolgens of ik er altijd op had gespeeld.
‘Ja, maar dat is nogal lang geleden’, zei ik.
Het ding zag er nog best redelijk uit, zo begreep ik van de man. En hij is een kenner.
‘Je moet zo’n instrument niet te lang laten liggen met al die stof enzo. Het kan zijn dat het dan na een jaar of vijf, zes ineens helemaal gebeurd is’, zei hij.
Oeps, dacht ik. En glimlachte. ‘Nou, het was wel iets langer. Gelukkig dat ie het nog doet.’

De accordeonman zou hem gaan renoveren en dan weer gaan verkopen. Dat leek me een mooie gedachte. Dat er dan misschien weer een piepjonge accordeonist op gaat spelen. Net als ik 45 jaar geleden. En hopelijk dat die het dan wat langer volhoudt dan drie jaar. Of twee. Tenzij hij wil gaan drummen natuurlijk. Of zij.
We rekenden af. Het geld lag al klaar, aan de andere kant van de tafel. Het was ietsje teveel.
‘Je krijgt nog twee euro vijftig terug’, zei ik.
‘Nee, dat is goed. Is voor de moeite’, antwoordde hij. ‘Veel plezier straks in Hengelo.’
‘Dank je’, zei ik.

We gaven elkaar een hand, voor de tweede keer in drie minuten.
Nog één keer wierp ik een blik op de keukentafel. En ben daarna zonder omkijken de deur uitgelopen.
Ik reed richting Hengelo, een half uurtje. En voelde zowaar enige weemoed.
Naar mijn goeie ouwe grijze accordeon.