Cesar 70

Het is natuurlijk onvermijdelijk als je zelf ook een jaartje ouder word. En bent opgegroeid met de grote rockbands uit de seventies. Dan worden je drumidolen ook langzaam oude mannen. John Bonham, Cozy Powell, Mick Tucker, ze zouden nu allemaal 70 zijn geweest. Of + al zelfs. Ian Paice is het vorige maand geworden. En Cesar is het vandaag. 70 jaar.

Vroeger was je dan met recht oud. Zeker voor rock’n roll. Cesar niet. Die is still going strong. Net zoals die andere drie Earrings. Het blijven een soort van kwajongens. Maar iconen zijn het inmiddels ook. De band en de leden. Alle vier even onvervangbaar in de band. Met Cesar als mijn drumheld. Al 45 jaar.

Mensen kijken me soms aan of ik niet helemaal in orde ben, als ik vertel dat Cesar mijn favoriete Nederlandse drummer is. Er zijn, zo hoor ik dan, toch wel betere drummers!? Poeh ja, het zal vast. Maar ‘beter’? Het interesseert me maar matig. Uiteindelijk gaat het om wie het lekkerst boem-tjsak speelt. Maar ook om wie de beste uitstraling en performance heeft, de meest legendarische albums en songs heeft ingespeeld. En de fijnste danwel bekendste grooves.

Bij mij begon dat met de allerbekendste: de shuffle in Radar Love. Niet dat ik toen enig idee had van shuffles. Ik was elf. Maar het ritme dat Cesar aan het begin van Radar Love op zijn snare speelde, dat pakte. De drumsolo in het midden van de song nog meer. En helemaal dat bijbehorende filmpje dat ik zag op TV. Zal wel Toppop geweest zijn. Met die vier enorm stoere rockers. En Cesar achter zijn dubbele, zilverkleurige Fibes-kit. Relaxed, soepel, beetje goochelen met zijn drumsticks. Die coole houding, die gaandeweg zijn handelsmerk werd. Evenals zijn zo herkenbare boem-tsjak.
Ik werd Earring-fan. Maar vooral bewonderaar van Cesar.

Mijn voorkeur gaat naar het jaren zeventig-werk van de band. Instant Poetry, gaaf nummer. Nooit live gehoord trouwens; te lastig, denk ik. Maar ook Ce Soir, Sleepwalkin’, Just Like ince Taylor, Bombay. En wat te denken van Golden Earring Live. Een monument van een dubbelalbum. Nog steeds.

Over live gesproken. Ik heb ze heel vaak gezien, de Earring. De eerste keer, een kleine 40 jaar geleden, hier in mijn stad Zutphen, in de prachtige Buitensoos. Door Barry Hay wel eens het ‘Paradiso van de Achterhoek’ genoemd. Of ‘van het oosten’. Zoiets. Ze speelden er in ieder geval graag, want in de jaren tachtig kwam de Earring vrijwel jaarlijks naar Zutphen.
Meestal was ik erbij. Eerst nog gewoon als bezoeker. Die keer dat ik me, samen met vriend en geluidsman Jan Molema, na afloop van de show aan de rand van het podium stond te vergapen aan Cesar’s imposante, witte Pearl-kit. Zojuist volop bespeeld, nu stond die daar verlaten. Alleen dat vond ik al een beleving. Zo dicht bij zijn drumstel.
In die tijd heb ik mijn toenmalige drumkit – ook een Pearl, maar dan een zilvergrijze WLX – ook gemodelleerd naar die van Cesar. Dubbele bass, toms beetje recht, evenals de crashes. En dan één crash precies middenvoor tussen de racktoms. Zo had hij het ook.

Een paar jaar later, februari 1988. Ik was net aangesteld als popmedewerker bij de dagbladen hier in de regio. Powerplay was support van Golden Earring in de Buitensoos. Ik had een interviewafspraak met Powerplay’s Jan van der Meij en mocht na hun optreden backstage komen. Stond ik ineens per ongeluk midden in de kleedkamer van de Earring. Cesar zat op een stoel direct rechts naast de deur een beetje met zijn stokjes te tikken. Op te warmen, zeg maar. Ik wilde meteen rechtsomkeert te maken, maar bedacht me. Raapte mijn moed bij elkaar.
‘Eh…. Hallo’, zei ik.
‘Hoi’, zei Cesar.
En ik realiseerde me: dit is mijn kans. Ik gaf Cesar een hand, vertelde dat ik namens het Zutphens Dagblad kwam en op zoek was naar Jan van der Meij. Dan moest ik achter het podium langs naar de andere kleedkamer, wees hij me de weg. Ik vroeg nog of hij zin had om te spelen vanavond. Niet een enorm intelligente vraag. Maar hij antwoordde vriendelijk. Dat de Earring niet toert omdat het moet, maar omdat ze het gewoon heel graag doen, vertelde hij. Ik heb het nog meegenomen in mijn recensie.

Ik ging daarna richting Powerplay. Opgetogen. Want het meest belangrijke en tevens ongeplande interview had ik zojuist al achter de rug. Na afloop van het gesprek met Van der Meij nog een tijdje backstage naar de Earring en Cesar staan kijken. Zag ik hem daar van dichtbij. Relaxed, soepel, beetje goochelen met zijn sticks. Mijn avond was meer dan geslaagd.

Een tijdje later ook nog eens wat onaardigs geschreven over Cesar, trouwens. Hij deed, ook in de Buitensoos, een drumsolo met een handdoek over zijn hoofd. Die handdoek vond ik, in vergelijking met die spectaculaire act met dat jasje met samples van eerdere tours, maar zo zo. Dat stond de maandag erna in de krant. Dinsdag lag de eerste boze brief al op de redactie. Handgeschreven; email en social media, dat kenden we niet. Het was nog net geen doodsbedreiging. Ook dat bestond nog niet. Maar de boodschap was duidelijk: kom niet aan de Earring. Of aan Cesar.
Zo is het natuurlijk eigenlijk ook.

En dus ging ik kort daarna vol goede moed voor de krant naar een middelbare school hier in de regio. Cesar gaf er een clinic. Hij droeg die middag een sweater van het nieuwste Earring-album Love Sweat. ‘Een Love-sweater’, schreef ik nog heel bijdehand in mijn artikel.
Maar vooral mooi om te zien hoe hij dat deed met die pubers. Losjes, geintjes en ondertussen speelde hij toch wel heel lekkere dingetjes, viel me op. Van die hoogstandjes en exotische ritmes die hij tijdens Earring-shows niet kwijt kon. Daar op die school heb ik Cesar nog een paar korte vragen gesteld. Maar een uitgebreid interview zat er niet in.

Ook niet die keer in Musis Sacrum in Arnhem. Golden Earring speelde er unplugged. Het album Millbrook USA was net uit en ik zou een interview doen voor het toenmalige magazine People & Music. Eenmaal backstage viel ik midden in het diner van de band. Cesar legde, net als de andere bandleden, netjes zijn mes en vork neer, rommelde nog even wat met zijn servet en gaf me een hand.
‘Cesar’, zei hij. Ja, dat wist ik wel.
Vervolgens nam Barry Hay de honeurs namens de band waar. Ook goed en leuk. Misschien wel de beste Earring als het aankomt op pittige uitspraken en dus een leuk artikel. Maar een mogelijk interview met Cesar ging weer aan mijn neus voorbij.
Wel een mooie gig gezien, later die avond. Akoestisch, klein drumkitje. Maar toch. Relaxed, soepel, beetje goochelen met zijn drumsticks. Cesar.

Misschien maar goed ook dat het echte interview er niet kwam. Van alle hier in het begin genoemde drummers heb ik er nooit één geïnterviewd. Helden moet je eigenlijk ook niet spreken, die moeten een beetje mythisch blijven. En dat is Cesar nog altijd.

Niet alleen voor mij trouwens. Vraag een willekeurige oudere jongere in ons land wie Cesar is en een enkeling zal iets roepen over Julius. De rest zegt Zuiderwijk. En Golden Earring. Een grotere rockband heeft ons land nooit gehad. Een groter drumicoon is er nooit geweest. Die zal er ook niet komen.

Ooit, ergens in 1989, schreef ik een recensie over een Earring-concert in het Overijsselse Holten. Het was gewoon een ouderwets goeie show. Maar ook wel wat voorspelbaar, vond ik. Ik schreef dat de mannen een dagje ouder werden. Rond de 40 al wel. Vroeg me af hoelang ze het nog zouden volhouden. ‘De Nederpop (zo heette dat toen) zonder Golden Earring, dat zou raar zijn’, eindigde ik mijn stukje.

Mijn twijfel over de houdbaarheid van de Earring bleek nogal een misvatting. Dertig jaar later, ze zijn er nog steeds. Is Cesar er nog steeds. Sterker nog, sinds ik me bewust ben van pop- en rockmuziek, sinds ik ben gaan drummen, is hij er altijd geweest.
En ik hoop oprecht dat het nog even zo blijft. 70 is niet piepjong, nee. Maar tegenwoordig ook niet meer stokoud. Zeker niet voor kwajongens als de Earrings. Zeker niet voor Cesar. Nog altijd relaxed, soepel, beetje goochelen met zijn sticks.

Cheerz Cesar, dank voor alle muziek, drums en inspiratie. En vooral: van harte en nog heel veel jaren!
En dat van die Nederpop zonder Golden Earring? Laat dat nog maar een jaartje of wat wachten!

DW

’t Is wat.
Vorige week de accordeon verkocht. Afgelopen zaterdag m’n DW-kit.
Van de accordeon werd ik een beetje weemoedig. Dat de DW weg is gaat me aan het hart. En mijn vrouw haast nog meer. We hebben er nog net geen traantje om gelaten.
Maar soms ben je toe aan iets anders. En ik kan helaas niet alles houden, heb er simpelweg geen plek voor.

Nu zou ik hier een enorme lap tekst kunnen gaan schrijven over wat ik de afgelopen bijna veertien jaar allemaal samen met dat mooie witte drumstel heb meegemaakt. Zoals ik dat meestal doe.

Over die zaterdagochtend in januari 2004 bijvoorbeeld, toen ik ‘m ophaalde bij Interdrum in Winterswijk. Eigenaar Tonny Kamperman sloeg ter demonstratie nog eens heel hard op de floortom. ‘Wow’, zei die erbij. Alsof hij zelf ook nog verrast was door de vette warme sound.
Ik wilde Bonham-style en kreeg dat ook.
Of die zondagochtend er na toen we gingen repeteren met Poundcake en ik door de Achterhoek richting ons toenmalige oefenhok in Lobith reed, met de DW in de achterbak. De weg was net iets mooier dan anders.

De auditie bij Tony Spinner een jaar later, in de toenmalige ‘bandhouse’, onderaan de dijk, naast het kerkje in Ravenswaaij. Dat mooie kerkje dat ik op zondagochtend, wanneer de bandhouse soms ons hotel was, nog wel eens vervloekt heb.
Tony hielp mee m’n drumkit uitladen. Dat vond ik al bijzonder. Het voelde goed, die allereerste ontmoeting. En naar verluidt scoorde ik direct punten toen ik die enorme DW-bassdrum uit die nog enormere hardcase haalde en ‘m in de woonkamer annex repetitieruimte opstelde. Tony had net z’n album Chicks & Guitars uit. Meer rock dan blues in die tijd. De vette DW paste daar goed bij.
De fijne, geslaagde en zelfs gemoedelijke auditie heeft m’n muziekcarrière tot op de dag van vandaag een geweldige boost gegeven.

Over de navolgende tours met Tony. Ons eerste optreden in Spirit of 66 in Verviers. De mooiste live-club van België. Voor zover ik ze ken dan. De immer relaxte eigenaar, boeker en geluidsman Francois gaf me na afloop een hele grote sticker van zijn Spirit. Die zit sindsdien op die hele grote bassdrumcase.
Of die keer dat we van Berlijn naar Salzburg reden en de bandbus er halverwege de brui aan gaf. Ik zie nog voor me hoe de bus, met de hele backline achterin, in een hoek van misschien wel 45 graden de Duitse sleepwagen op werd gehesen. Ik was bang dat mijn DW helemaal verpletterd zou worden door de naar achteren schuivende gitaar- en bassamps. Maar leve de hardcase! Mijn drumkit was ongedeerd. De bus de volgende dag ook weer. De tour ging verder.

Over het Spinner-album Live in Europe, met daarop enkele opnamen van de gig in de Bluesgarage in Hannover. Ik vind het geluid van de DW daar te massief. Op het navolgende Rollin’ & Tumblin’ klinkt ie wel fijn. Net als op Sonny Hunt’s Hitting The Noot. Maar voor de opnamen van het laatste Veldman Bros-album Refuel, koos ik voor een andere kick. Een oude, groene 22″ Pearl. Niet de ‘kanonskogel’ die 24″ DW was.

Misschien ook over mijn korte tijd in de toen nog prille Leif de Leeuw Band, waarin ik soms ook twijfelde of de DW niet te vet was voor de blues. Hoewel, Leif’s band was toen eigenlijk nog een veredelde Free-tribute. Daar paste die sound wel weer goed bij. Maar bij The Etta James Experience koos ik later om de lichtere Sonor-kit te gebruiken.

Of over onze Nuno, die als negenjarig jochie op dat grote drumstel de soundcheck voor mij deed bij Sonny Hunt, op een al lekker gevuld Marktplein in Enschede. Waar hij voor het eerst applaus kreeg. Hij trots. Ik ook.
Mooi ook, met Rob Orlemans op het grote Appelpop. En uiteraard de 140 gigs, de afgelopen twee jaar, met mijn brothers Gerrit, Bennie en Fred.
En dan die geluidstechnici die enthousiast waren over de DW-sound. Die me voor gek verklaarden, de laatste maanden, als ik vervolgens vertelde dat ik van plan was om de DW te verkopen. Soms sloeg de twijfel even toe.

Over veel belangstellende bieders op de DW. Raar fenomeen dat Marktplaats. Ik fatsoenlijk op al die bieders reageren. Maar de meesten laten vervolgens gewoon nooit meer iets horen. Waarom bied je dan?? Ik zal er wel te oud voor zijn. En te keurig-netjes.
Dus even dacht ik dat ik hem niet kwijt zou raken. Ja, mooie kit, zeiden de bieders die wél iets lieten horen. Maar dan was de kleur te wit, die paar nauwelijks zichtbare krasjes te groot, de prijs te hoog of de sound te specifiek.
Ja, dat was het nou precies: specifiek. Dat maakte de DW zo mooi, maar ook niet voor iedereen geschikt.

Over die laatste koper, die afgelopen zaterdagmiddag belde, vervolgens anderhalf uur in de auto zat naar de NR2 in Vorden, waar mijn DW tussen de gitaren en amps in de winkel mocht staan (met dank aan Piet Grasmeijer!). Twee uur later was de kit verkocht. Precies wat hij zocht. Zo’n specifieke sound.
Ik speelde er zaterdag nog één keer op. Heel hard. En deed vervolgens voor het allerlaatst die enorme bassdrum in die nog enormere hardcase. Zoals ik al wel honderden keren had gedaan. In die grote koffer, die je met één hand niet kan dragen en die in bijna geen enkele auto past. Ik sjouwde het bakbeest naar buiten en riep ondertussen tegen Piet: ‘Zie je nou waarom ik hem verkoop!?’
Ja, dat begreep Piet wel.

Over die onbekende grote auto waarin de DW verdween, waarvan we de blije eigenaar nog eens de hand schudden en die toen wegreed. Met mijn drumstel achterin.
En al die herinneringen die er bij horen.
Maar ik ga het niet allemaal hier opschrijven. Gelukkig heb ik de foto’s nog.

Aldridge

De man bij de ingang scande onze entreekaartjes.
‘Oordopjes liggen rechts op de bar’, voegde hij er aan toe.
Oordoppen??
Mijn drummaatje Arno en ik keken elkaar aan. We lachten schamper.
Oordoppen? Dan kende hij ons nog niet.
We zijn geen watjes. En ook die gebruiken we trouwens niet.

Nou ja, tijdens de drumles hebben mijn drumleerlingen en ik wel gehoorbeschermers op. Want het gaat soms behoorlijk hard met die drums en muziek. Dan zijn oordoppen verplicht. Ook voor mij.
Maar tijdens optredens gebruik ik ze zelden of nooit. Stom, hoor ik vaak. Maar ik vind het onprettig. En kennelijk kunnen mijn oren wel wat hebben, want ik heb ook na bijna 40 jaar live spelen nergens last van. Behalve dan dat mijn vrouw zegt dat ik de televisie vaak wel erg hard heb staan. Maar daar heeft zij dan vooral weer last van.

En dus namen Arno en ik, goedgemutst en zonder oordoppen, vorige week donderdagavond plaats op de tweede rij in de bovenzaal van Terpstra Muziek Drumland in Lijnden, onder de rook van Amsterdam. Op het podium, een paar meter verderop, de grote Yamaha-kit van Tommy Aldridge, al decennia één van de beste en bekendste hardrockdrummers van van de wereld. Dubbele kit met vooral veel cymbals. Ik telde er dertien, inclusief een ride en een splash. Dan blijven er nog elf crashes over. Dan raak je er altijd wel eentje.
Verder heeft Aldridge twee hihats, beide aan de linkerkant, vlak naast elkaar. Eén daarvan is continu dicht, die gebruikt hij op de momenten dat hij dubbel bass speelt. En dat gebeurt nog al eens, zo wisten Arno en ik.

Want we kennen veel van al die min of meer legendarische rockalbums waarop Aldridge speelt. Tribute en Bark At The Moon van Ozzy natuurlijk, Go For What You Know van bluesrocker Pat Travers en niet te vergeten Slip Of The Tongue van Whitesnake, een LP waar ik destijds reikhalzend naar uitkeek, maar die eigenlijk toch ietsje tegenviel, na het imposante 1987. Maar dat wilde ik toen niet toegeven.
Whitesnake was in de jaren tachtig namelijk mijn favoriete band. En Tommy Aldridge één van mijn favoriete drummers, samen met John Bonham, Cozy Powell en nog wat van die rockers. Dus ik was maar wat opgetogen toen Aldridge eind jaren tachtig bij ‘mijn’ Whitesnake ging spelen.

Ik zag hem voor het eerst live tijdens het Monsters of Rock-festival in 1990 in het Utrechtse stadion Galgenwaard. Dat was sowieso een bijzonder concert, want één vak verder op de Galgenwaard-tribune spotte ik dat mooie Baakse meisje, die ik een tijdje later leerde kennen en met wie ik inmiddels al 26 jaar samen ben. Ondanks het volume van de tv.
Maar ik herinner me ook een spetterend concert. Met een grootse ovatie en het destijds onvermijdelijke ‘olé olé’ voor onze Adje Vandenberg, die even daarvoor zijn eigen band had ingeruild voor een plekje bij Whitesnake. Maar vooral herinner ik me ook die solo van Aldridge, met zijn dubbele bassdrums en het intermezzo waarin hij de stokken weglegt en met zijn blote handen de snare en toms beroert. Net als Bonham dat ooit deed.

Tommy Aldridge is met recht de kleine man van het grote gebaar. Dynamiek, subtiliteit, ghostnotes, kom er niet om bij hem. Aldridge is van dik hout. Van boomstammenhout. Ieder klap is snoeihard en raak. Liefst vooraf gegaan door al dan niet boven zijn krullende hoofd draaiende sticks. ‘Want het oog wil ook wat’, aldus Aldrindge,
En zo ging het in eerste instantie ook tijdens de clinic bij Drumland. Zonder iets tegen ons, het publiek, te zeggen speelde hij mee met vijf backingtracks, waaronder Bad Boys, Judgement Day en Crying in the Rain van Whitesnake. En dat deed hij alsof hij met de voltallige band op het podium in de Madison Square Garden stond. Ofwel vol overgave.
Ik moet eerlijk bekennen dat ik op een goed moment toch even begon te twijfelen aan de ‘powerplay’ van Aldridge. Vond ik het nog wel mooi? Mijn voorkeur voor drummers, grooves en sounds is de laatste tien, vijftien jaar veranderd, dat werd mee eens te meer duidelijk. Ik hou juist wel van de dynamiek, de subtiliteit. Graag meer blues en soul in plaats van enkel spierballen. Eigenlijk vind ik de oude, meer bluezy Whitesnake, die van vóór 1987, met terugwerkende kracht veel interessanter dan die van daarna.

Maar toen Aldridge na vijf keiharde songs en een drumsolo inclusief het blote handen-stuk, begon te vertellen was ik weer helemaal om. Wat een sympathiek en onderhoudend verhaal! Niks geen interessantdoenerij, wel humor en zelfreflectie. Aldridge vertelde hoe dat harde spelen ooit zijn handelsmerk werd. Hij kon zich onderscheiden, kreeg er jobs door, merkte hij al snel. ‘Ik was niet beter, ik was ánders dan anderen. Dat triggerde me’, zo zei hij.
Maar het was ook zijn toewijding die me pakte. Alles aan de kant om iedere avond de allerbeste prestatie te kunnen leveren. Geen drank en drugs, maar fit blijven. ‘Want dat verdient het publiek’, aldus Aldridge, die nog altijd zei te genieten van het spelen. ‘Reizen en leven in hotels, dat voelt wel als een soort van werk. Maar drummen is geen werk. Nooit geweest.’

Hij speelde tenslotte nog het machtige Still Of The Night van Whitesnake en hij had me weer helemaal te pakken. Die jongen van 67 jaar oud. Nog altijd met die imposante bos krullen en dat tengere, afgetrainde lijf. Topfit en volledig toegewijd. Qua stijl is Aldridge niet meer mijn grote voorbeeld, daarvoor zitten we, zeg maar, teveel in een andere andere muzikale hoek. Maar wat betreft attitude en mentaliteit zou hij een voorbeeld moeten zijn voor iedere drummer en iedere muzikant. Alles voor de muziek, nog steeds na al die jaren en al die successen. Met onverminderde energie. En nog steeds met een ongelooflijke power. Ik geloof dat ik nooit een drummer heb gehoord die zo hard speelt.

Na de eerste twee nummers heb ik mijn plek op de tweede rij, een meter of vijf van Aldridge’ kit, zijn cymbals en vooral die knallende snare, heel even verlaten. Ben snel naar achteren gelopen, richting de bar. Aan de rechterkant, daar lagen de oordopjes.


Jubileum

Het was een nogal onhandig moment voor een jubileum. Maar wel een mooie plek. Afgelopen woensdagavond, vrijwel middernacht, op de A50 tussen Zwolle en Apeldoorn. Precies ter hoogte van de McDonalds bij Heerde-Zuid. Heb die afslag genomen en verdomd, ik reed bijna de McDrive in en hij had zijn mijlpaal bereikt. Heb ter gelegenheid van het bijzondere moment een milkshake gehaald. Veel feestelijker hebben ze het bij de Mac niet.
En natuurlijk de kilometerstand vereeuwigd met de telefoon. Zo’n kans krijg je zelden. Ja, eens in de 100.000 kilometer.

Een ton, heet dat. Op onze Opel Astra staan er nu dus drie. 300.000 kilometer! Dat is 7,5 keer de aarde rond. Een kleine 200 keer naar Barcelona. Of 23.437 keer heen en weer van Zutphen naar Baak. Een aardig ritje kortom, wat die inmiddels heeft afgelegd. En dat mag gevierd worden!

De Opel Astra is onze muzikantenauto. De hele drumkit past er met gemak in. Zonodig nog een (bas)versterker en wat gitaren erbij. Zeven jaar geleden hebben we hem gekocht op de afmeting van mijn grote, inmiddels oude DW-bassdrum en bijbehorende hardcase. We maakten eerst nog een proefritje in een te sjieke stationwagon van Chevrolet, die hier bij een dealer om de hoek stond. Mooi blauw, leren bekleding. En ik vond het merk cool. Maar na een rondje om Zutphen bleek die de ultieme test niet te doorstaan: de bassdrum paste er niet in. En dus ging de Chevrolet terug naar de dealer. Die trouwens niet onze vaste dealer was. En Chevrolet niet ons merk. Het was een soort vreemdgaan. Een proefrit voort spek en bonen.

Want we kwamen als vanzelfsprekend weer terecht bij onze vaste garage Melgers in Steenderen, van de broers Vincent en Theo. Oude, zeer vertrouwde vakmanschap. We komen er al ongeveer zolang we autorijden. Altijd goeie auto’s, altijd goeie service en onderhoud.
En dus hoefde ik eigenlijk niet eens een proefrit te maken in die zwarte Opel Astra, die ze voor ons hadden opgesnord. Mooi ding, ruim, degelijk. Bassdrum past erin. Net als in onze vorige Astra. Toch een stukje gereden, even op en neer naar Doetinchem. Fijne auto!

En dat is ie nog steeds. Ja, hij raakt op leeftijd. Lust wat meer olie, krijgt her en der een krasje en rimpel. En hij heeft wat meer last van vocht achter de ramen. Schijnt een Opel-kwaal te zijn, heb ik me laten vertellen. Een beetje frisse lucht doet dan wonderen.
Maar hij laat me nooit staan en we rijden samen heel wat kilometers weg. Vooral…ahum… ‘zakelijk’. Naar het buitenland gaat de band vaak met een busje, maar in Nederland reizen we meestal gewoon met eigen auto. En dan het hele land door. Van Maastricht tot Den Helder. Van Zierikzee tot Delfzijl. Afgelopen woensdag naar Kampen om te repeteren. Gisteravond naar Hedon in Zwolle voor een fijne gig, samen met de band van Ruben Hoeke. En straks gaan we richting Wassenaar om daar rond 22.30 uur het bluesfestival in theater Warenar af te sluiten.

Meestal rij ik alleen. De muziek (hard) aan. De gedachten laten gaan. Inspiratie opdoen voor t een of t ander. Ik vind het best fijn. Maar soms rijdt mijn rhythm-brother Fred mee, da’s dan ook heel gezellig. Praten we over muziek, over het leven en over Pino en Steve, één van onze favoriete ritmesecties.
Bovendien heeft Fred verstand van auto’s. Ik niet. Hij wijst me dus wel eens ergens op. Zoals laatst, ’s nachts na een gig in Delft. Ik was grieperig, Fred reed.
‘Hé, jij hebt ook cruise control?’, riep hij ineens.
Ik keek hem met lodderige, maar zo groot mogelijke ogen aan.
‘Cruise control, wat bedoel je??’
‘Nou hier. Hier zit het knopje van de cruise control.’
Hij drukte erop en we zoefden in een regelmatig gangetje over de snelweg. Fred enthousiast over zijn ontdekking. Ik ook, maar dan met een zuur lachje.
Rij je bijna zeven jaar in je autootje, heb je geen idee dat er cruise control op zit.
Maar zo ontdek je nog eens wat.
En we hebben er veel lol om gehad. Nou ja, de andere jongens in de band vooral.

Ik inmiddels ook. Als ik zo direct bij Arnhem de A12 pak, dan druk ik op het bewuste knopje en rij relaxed richting Wassenaar. Muziek (hard) aan, gedachten laten gaan.
En terwijl ik deze ode aan mijn auto zit te tikken ben ik ondertussen op zoek naar ongelakt hout. Afkloppen. Want het zal toch niet gebeuren dat die ouwe Astra me nu ineens in de steek gaat laten!?
Ik wil wel even door met hem. Minstens nog twee keer de aardbol rond. Of 10.000 keer naar Baak en terug. Nog een tonnetje erbij en dan weer een milkshake. Op naar een volgend jubileum!

Vrolijk

Ik zag het al toen hij gisterenmiddag binnenkwam. Stan, de eerste drummer in de rij van deze dinsdag.
‘Hé Stan, hoe gaat het?’
‘Heel goed!’, antwoordde hij enthousiast.
‘Ja, dat idee had ik al’, zei ik. En ging er eens goed voor zitten.
‘Vertel!’

Maar er kwam niks. Stan had geen idee. Hij was gewoon heel vrolijk.
Toch gingen we samen op zoek naar een mogelijke oorzaak.
Nieuwe verkering? Nee, dat was het niet.
Het weer? Mwah, de zon kwam er net even door, maar het had vandaag vooral geregend en gewaaid. Daar werd je niet persé vrolijk van. Zeker niet heel vrolijk.
‘Was het dan misschien leuk op school?’ Ik vroeg het heel voorzichtig.
Nee, dat was het ook niet. School… het is dat hij er heen moet. Maar het is niet zijn hobby. En ik kreeg een hele uiteenzetting over kangoeroeklassen en dat soort educatieve zaken waar wijlen hoofdmeester Schockman van mijn lagere school nooit weet van heeft gehad. Maar die ongetwijfeld heel nuttig en verantwoord zijn.

Stan denkt er het zijne van. Maar hij liet er vandaag zijn vrolijkheid niet door bederven.
Een oorzaak, reden danwel aanleiding voor zijn blije gemoed konden we dus niet vinden.
En eigenlijk was dat een hele mooie conclusie. Soms ben je gewoon vrolijk omdat je vrolijk bent. Meer niet.
Ik werd er vrolijk van.

Het werd zo langzaam aan hoog tijd om eens te gaan drummen. Stan vroeg om Domino van Genesis, en dan wel de live-uitvoering van het album The Way We Walk. Hij is tenslotte zo ongeveer de grootste Phil Collins-fan én -kenner die er bestaat. Op zijn vader na dan.
Stan had wat vragen over het ritme en sommige fills in het nummer, maar wilde het vooral heel graag drummen. En heel hard ook.
Dat deed hij. Alsof hij Phil Collins en Chester Thompson tegelijk was. De fills en grooves vlogen me om de gelukkig goed beschermde oren. Ruim 11 minuten lang. Toen konden onze oordoppen uit.
‘Poeh, dat ging lekker’, hijgde Stan met z’n brede lach. Dat vond ik ook.

Het was alweer tijd. Dat krijg je met al die vrolijkheid en nummers van elf minuten.
Stan deed z’n jackje aan en maakte aanstalten te vertrekken.
‘Nou dan zie ik je volgende week weer’, zei hij.
‘Maar dan wel onder één voorwaarde, Stan.’
Hij keek me met zijn grote ogen aan.
‘Dat je dan weer net zo vrolijk bent als vandaag.’

Drumconcert

Het was, zeg maar, zo’n dag ‘die je wist dat zou komen’. Waar we met z’n allen lang naar toe hadden gewerkt en geleefd. Heel erg naar uitkeken, maar ook best spannend.
Weliswaar was het de vierde keer dat ik een concert organiseerde voor mijn drumleerlingen, maar voorgaande keren deed ik dat samen met vrienden Maartje en Frank van Muziek op Venhorst en hun zang- en gitaarleerlingen. En kon ik wat betreft de presentatie lekker op Maartje leunen. Die draait daar haar hand niet voor om.
Die eerste drie keer met echt heel veel plezier gedaan. Maar dit jaar wilde ik het anders. Een echt ‘drumconcert’ waar het vooral en allereerst om de drummers draait. Waar we drumsolo’s en drumduels kunnen doen, waar ik helemaal zelf de regie heb.
En…. wat ik dan dus ook zelf moet presenteren.

Stond ik daar afgelopen zondagmiddag op het podium van NR.2 in Vorden met een microfoon voor m’n snuffert. Ik kan me niet herinneren dat ik in de 38 jaar dat ik met bands op het podium sta ooit iets heb aangekondigd.
Ik sta trouwens helemaal niet, maar zit altijd op een podium. Lekker een beetje achteraan. Wat verscholen achter bekkens, trommels en meestal ook achter Gerrit, onze gitarist/zanger. Hoewel die op kleinere podia of in kroegen ook vaak naast me staat.
Drummers vinden dat fijn, beetje in de luwte hun ding doen. Althans, veel drummers. Niet Lars Ulrich of Mike Portnoy.

Maar ik vond dat ik het zelf moest doen, de aankondiging van mijn eigen drumconcert en van mijn eigen leerlingen. Alhoewel, ik had wel wat alternatieven in mijn hoofd, maar in mijn omgeving werd benadrukt dat die allemaal minder goed waren. Veel minder goed. Slecht zelfs. Want niemand toch die mijn eigen drummers beter kent dan ikzelf!?
Ja, daar had ik weinig zinnigs tegen in te brengen.

De zaterdagnacht ervoor, in de auto terug van een fijne Veldman Brothers-gig op een riviercruiser, had ik alle tijd om een goeie openingsspeech te bedenken. Maar ja. Als het moment die je wist dat zou komen eenmaal echt is aangebroken en je staat daar, dan is de hele speech ergens naar de grijze achtergrond verdwenen.
Dus ik heb inderdaad iets gezegd van welkom en over drummers die normaalgesproken het liefst een beetje achteraan op hun drumkruk zitten en we zijn begonnen. Lenny Kravitz’ Always On The Run had ik als opener gepland. Omdat Tije dat lekker drumt, de band het idem speelt en het gewoon direct een fijne binnenkomer is. En dat was het! Het ging goed, de sfeer zat er meteen goed in, daar in die warme, maar sfeervolle muziekruimte van NR.2. Het ijs was gebroken, de spanning van de middag en het presenteren was eraf.

Bij mij dan. Sommige drummers waren nog best nerveus, maar dat hoort erbij. En wat deden ze het goed. Allemaal! Sommige stegen zelfs boven zichzelf uit in hun liedjes of drumsolo’s. En oh ja, er ging ook wel eens wat fout. Ook in de band, toch allemaal muzikanten die wel wat gewend zijn. Maar zonder foutjes geen live-concert. Het hoort erbij. We zijn mensen, geen machines. En bovendien, in het publiek had toch bijna niemand het in de gaten. Zo gaat dat met foutjes.

We hadden het met z’n allen naar de zin. En dat was precies het doel van deze middag. Natuurlijk hebben we hard gewerkt en geoefend om een goed optreden neer te zetten. Maar ook en vooral ging het om de lol en het plezier van het spelen met een echte band. De sfeer rond een optreden. Op een mooi podium, voor een best groot publiek.
En dan met z’n allen op datzelfde het podium het drumconcert samen afsluiten met veel trommels, emmers en andere slaginstrumenten: We Will Rock You!

Veel leuke reacties gehad naderhand. Zelfs nog wat presentjes (de spekjes zijn al bijna op; het bier volgt zsm). Stan’s moeder appte dat Stan zondagmiddag het podiumvirus heeft opgelopen. Hem een beetje kennende raakt die het nooit meer kwijt. En Stan is vast niet de enige die is besmet.
Alleen dat al maakt het alle moeite waard!

Piepjongst

Blues vooral voor ouderen? Tja, de meeste bluesliefhebbers hebben de middelbare school allang achter zich gelaten. Dat valt niet te ontkennen. Maar gelukkig duiken er her en der ook steeds weer jeugdige bluesfans op. Zo opent de splinternieuwe, jonge band No King volgende week vrijdag in De Pol in Diepenheim de bluesavond, waar ook wij met The Veldman Brothers zullen aantreden. En afgelopen zaterdag werd Yumbo Blues in Bunnik georganiseerd door de piepjonge bluesfanaat Tom.

Het was niet alleen opmerkelijk dat Tom pas 15 jaar oud is, maar ook dat Yumbo anderzijds nog echt zo’n oude jeugdsoos-uitstraling heeft. Dat zie je niet veel meer. Yumbo bestaat al een jaartje of 45 en de leeftijd van de doorsnee bezoeker is daar zo’n beetje gelijk mee opgegaan, zo vertelde één van de oudgedienden me zaterdag. Jonge aanwas is er weinig, feestjes van kersverse vijftigers des te meer. Maar gezellig was het er. En de tent draait, zo begreep ik, prima. Zonder een stuiver subsidie!

Tom viel qua leeftijd dus ietwat uit de toon, zaterdagavond,. Maar niet qua muzikale smaak. Hij kent zijn klassiekers. Robert Johnson, Howlin’ Wolf, Elmore James….. Je maakt hem niks wijs. Blues is z’n passie, vooral oude. Z’n platenkast, thuis in Utrecht, staat er vol mee, vertelde hij me. En op de allereerste bluesavond die hij in Yumbo mocht organiseren wilde hij The Veldman Brothers hebben. Hij vond het een eer dat we kwamen. Ik zou het willen omdraaien: wij vonden het een eer dat hij uitgerekend ons wilde hebben.

Nadat we met z’n allen hadden geposeerd voor de camera, op de vintage en perfect in de oude jeugdsoos-sfeer passende bank, kwam ik met Tom in gesprek. Op diezelfde bank. We hadden het over (oude) blues, classic rock, Joe Bonamassa, dat soort dingen.
Of hij misschien ook op Facebook zat? Konden we vrienden worden. Domme vraag was dat.
Ik checkte zijn FB-pagina en zag allemaal voetballogo’s bij zijn favorieten staan. Uiteraard ook die van FC Utrecht.
“Hé, ben je Utrecht-supporter?”
Nog dommere vraag.
“Natuurlijk.”

En het gesprek kwam als vanzelf op voetbal. Hij vertelde over zijn club, ik over de mijne.
Of hij altijd baalde als FC Utrecht verloor?
“Ja, een half uurtje wel”, zei Tom. “Maar dan ben ik het wel weer kwijt.”
“Dat heb ik inmiddels ook wel geleerd”, glimlachte ik. Anders heb je als Graafschap-supporter namelijk weinig leuke weekenden tegenwoordig.

We babbelden wat verder. Over school, zijn interesse in het vak geschiedenis, over de mooie stad Utrecht en uiteindelijk natuurlijk toch weer over muziek. Ik keek nog even op Teletekst.
“Hé, FC Utrecht speelt zo direct bij Sparta, net als wij beginnen met ons optreden”, zag ik.
“Ja, weet ik”, zei Tom. Maar vanavond stond voor hem in het teken van de blues. Niet zozeer van voetbal.
En het werd een hele geslaagde bluesavond. Lekker gespeeld, goeie sfeer, wij hadden het bijzonder naar de zin.
Toen we tegen middernacht de laatste toegift hadden gespeeld, checkte ik op de telefoon nog snel even de voetbaluitslagen. FC Utrecht had in de laatste minuut de winnende goal gescoord. Ik was er blij om, merkte ik. Voor het eerst in mijn leven was ik zowaar even voor FC Utrecht. Nou ja, eigenlijk was ik vooral blij voor Tom, dat zijn club had gewonnen.
Hij had ons, met al zijn jeugdig enthousiasme, een fijne avond bezorgd. Wij hem volgens mij ook. Eén van de piepjongste en fanatiekste bluesfans die ik ooit heb ontmoet.

Tedeschi Trucks

Nu heb ik de afgelopen bijna veertig jaar toch heel wat concerten gezien. Van al die honderden bandjes van om de hoek tot de groten der aarde. Eagles, Deep Purple, David Bowie, Queen, Stones, Led Zeppelin. Ja, ik ben één van die gelukkigen die Zeppelin in de originele bezetting heeft zien spelen. Met John Bonham! Drie maanden voordat hij overleed. En daarmee ook Led Zeppelin. Het was in Ahoy Rotterdam, juni 1980. Best was het niet. Zachtjes uitgedrukt. Ik herinner me dat het geluid zelfs zo dramatisch was dat ik door de brei het ritme soms niet eens kon ontdekken. Maar ik was er wél bij, zo kan ik nog altijd met enige trots melden. Wie weet later nog eens meer hierover.

Bijna 37 jaar later – of beter gezegd: afgelopen woensdag – vertrokken Petra en ik richting Köln om daar de Tedeschi Trucks Band te gaan zien. Want hoewel het er tegenwoordig beduidend minder van komt, blijft het mooi om naar een band te gaan. Köln is niet direct naast de deur, Amsterdam was handiger, daar staat Tedeschi Trucks komende vrijdag. Maar dan moet ik zelf spelen. Dus dan maar iets verder weg, op een doordeweekse dag. Maken we er een leuk uitje van, besloten we.

Dat viel nog niet heel erg mee. Leuke hotelletjes in Köln voor een fatsoenlijke prijs zijn doorgaans best te krijgen, maar niet op 22 maart. Prijzen tussen de 400 en 600 euro voor een doodordinaire kamer bleken juist op die datum heel gewoon.
Wat was er aan de hand? De wereldwijde, tweejaarlijkse beurs voor tandartsen was afgelopen week in de Kölnmesse neergestreken. Reden voor de hotelhouders om hun prijzen zo ongeveer te verviervoudigen. Als die Zahnärtze goed geld verdienen door ons de kiezen eruit te trekken, dan trekken wij hen een poot uit. Zoiets moet de Kölner horeca gedacht hebben.

Dat was, zeg maar, nogal vervelend voor ons. Een hotel ergens om de hoek bij concertzaal E-Werk zat er niet in. Sterker nog, wij konden aanvankelijk met goed fatsoen geen betaalbare slaapplek vinden. En een dikke twee uur terugrijden naar huis hadden we eigenlijk niet zo’n trek in, op twee fijne vrije dagen samen, in gezelschap van een goeie band én Duitse biertjes.
Uiteindelijk kwamen we terecht bij het Ibis Budget Hotel, even buiten de stad, op 7,4 kilometer van E-Werk. Het hotel deed zijn naam eer aan, want het had zijn prijzen slechts verdubbeld. Een kamer met ontbijt nu voor 120 euro, in plaats van 60. Eenvoudig was het, maar ach, een bed, een douche, een broodje en koffie en het is ok. En trouwens, het ontbijt was dik in orde en de mensen van het Budgethotel zeer vriendelijk.

Het mannetje bij de receptie leek wel wat op mijn oude ome Wim. Kleine snor, doordringende ogen en een bril waar die vooral overheen keek. Hij verontschuldigde zich nog voor de verhoogde prijzen.
Of hij E-Werk kende? Nee, daar had hij nog nooit van gehoord. Maar hij wist wel welke kant we op moesten. Oh, jullie gaan niet met de auto? Dan moesten we bus 152 of 153 nemen.
Nu wist het mannetje niet dat ik een vrouw heb die nogal gek is op wandelen. Zij draait haar hand niet om voor een enorme wandeling. Ik ben iets minder fanatiek, maar loop zo nu en dan best een stevig rondje mee.
‘Wir gehen laufen’, zei ze monter.
Het mannetje keek nog eens over zijn bril heen, fronste een wenkbrauw en zei: ‘Das geht nicht’.
Hij kende ons nog niet.

Het was even stil. Ok, zei hij toen. Dan moesten we de hele Frankfurterstrasse aflopen, richting Müllheim. Een enorm eind, voegde hij er nog aan toe. We konden ook altijd onderweg nog ergens bus 152 of 153 nemen, stelde hij ons gerust. En hij gaf ons het telefoonnummer van een taxi. ‘Dat is voor de terugweg’, zeiden we.

En zo liepen we even later een dikke zeven kilometer door Köln. Hand in hand. Door mooie, minder mooie en lelijke buitenwijken, richting het centrum. Door de drukte van het verkeer. De Dom aan de linkerhand als baken, Google Maps als gids. Ondertussen een snelle hap gegeten, want een leuk diner in een Duitse Stube zat er vanwege de tijd niet meer in. De sfeer in Köln voelde goed. En toen we midden in de stad ineens het bord ‘E-Werk rechstaf’ zagen, klaarde ik helemaal op. Daarna was het toch nog zeker een kwartier lopen. Dat viel flink tegen.

Dat gold allerminst voor de zaal. Als gezegd al heel veel concerten en dus ook heel veel zalen gezien, maar niet zo’n gave als dit oude industriepand. Prachtig mooi, sfeervol, niet te groot, niet te vol. Biertje halen was zo gepiept. We stonden behoorlijk vooraan.
En wat een band was het! Twaalf man sterk, geen show, geen entertainment, geen ego’s, geen poses. Niks geen feestje bouwen of dak eraf. Gewoon twaalf muzikanten die met plezier fantastisch stonden te spelen en klonken. Muziek in de meest pure vorm. Of ze nou op een groot podium staan of bij elkaar gepropt tussen de rommel en boekenkasten in een tiny desk (zie YT-link).

Blues, soul, country, rock, southern, fusion, gospel, roots, alles zit erin bij de Tedeschi Trucks Band. Maar vooral groove, gevoel en passie. Derek Trucks, één van de fijnste gitaristen die ik de laatste jaren heb gezien. Susan Tedeschi, wat mij betreft de beste zangeres van dit moment. Ok, we hebben natuurlijk nog Adele. En Beth Hart. Maar Tedeschi speelt bovendien heel lekker gitaar. Ook dat nog!

Haast een beetje bedeesd oogden ze, Tedeschi en Trucks. Niet veel contact met het publiek. Maar dat is ook niet nodig als je zo staat te spelen. Inclusief pauze bijna drie uur. Dat was wat mij betreft te kort. Veel te kort.
Iets na elven stonden we weer buiten bij het E-Werk. De taxi van het kaartje van het mannetje in het hotel was er in no time. De grappige Turkse chauffeur reed ons razendsnel door de late Kölnse avond. Zagen we de stad ook eens van die kant.

Een geweldig leuk tripje Köln was het. Met een fantastische band. Ooit zag ik Led Zeppelin. Dat koester ik. Maar dit optreden van Tedeschi Trucks Band staat in de top drie van alle concerten die ik ooit heb meegemaakt. Misschien wel bovenaan. Gedeeld met Eagles. Dat koester ik evenzeer.

Trouwens, Susan Tedeschi en Derek Trucks zijn een stel, al zestien jaar getrouwd. Twee kinderen hebben ze. Wat een muzikale wondertjes moeten dat wel niet zijn….

Dezelfde taal

We ontmoetten elkaar voor het eerst tijdens een repetitie met Sonny Hunt & The Dirty White Boys in Nieuwendijk. Eén keer oefenen en de volgende dag beginnen met een tourtje. Zo ging dat bij Sonny Hunt, meer tijd was er simpelweg niet.
Én Sonny hield ervan om jong gitaartalent mee te nemen. Kon die, bescheiden als hij is, zelf lekker een beetje op de achtergrond blijven en de jonkies laten vlammen. Zo hadden we sinds 2008 Rory de Kievit in de band. En nu, in augustus 2010, kwam Leif de Leeuw erbij als tweede ‘special guest’.

Vijftien was ie. Ik ruim drie keer zo oud. Sonny en bassist Dick Stam nog ouder. Maar spelen kon hij als de beste. Zoveel was na de eerste paar nummers al wel duidelijk. Alsof hij al jaren in de band zat. En alsof hij helemaal niet piepjong was. Vergeleken bij ons dan.
In de pauze van die eerste repetitie kwamen Leif en ik aan de praat. Over muziek. Want daar hebben muzikanten het meestal over. Of ze nou vijftien zijn of bijna vijftig. We kwamen er achter dat we veel gemeen hadden. Blues, rock, seventies. Hij was helemaal gek van Free en hun gitarist Paul Kossoff. Dat was nou ook toevallig. Ik liep met het idee voor een Free-tributeband. Nou, zei hij, als ik nog een gitarist nodig had, dan deed hij graag mee.
Die tribute is er nooit gekomen. Maar een vriendschap was geboren. We spraken dezelfde taal, ondanks ons leeftijdsverschil.

Ik weet niet meer precies waar en hoeveel we gespeeld hebben dat tourtje in augustus/september 2010. Zal wel een keer of acht zijn geweest, zoals meestal. De aftrap op het kleine podium van Culemborg Blues was in ieder geval heel geslaagd, dat weet ik nog wel. Rory en Leif stalen de show, onder meer tijdens Jeff Beck’s Cause We’ve Ended As Lovers. Dat nummer was door Leif ingebracht en sindsdien een topper in de set.

De tour was meer dan leuk. Leif was een aanwinst, zowel voor ons als voor het publiek. Want geweldig toch, om een vijftienjarige zo goed te zien spelen!
Maar ondertussen was hij ook al bezig met z’n eigen Leif de Leeuw Band. Hij zocht nog een drummer, zo werd me al snel duidelijk. En na een gig in Uden kwam het hoge woord eruit. Of ik interesse had om in de Leif de Leeuw Band te komen drummen. Zijn woorden klonken even voorzichtig als plechtig. Alsof ie een meisje verkering vroeg, zeg maar. Terwijl dat meisje het allang voelde aankomen.
Ik had er dus al diep over nagedacht. Het was, ondanks die leeftijd, een interessante optie. Leif was het grote bluestalent van Nederland. En ik had geen vaste band op dat moment.

Dus ik zei ja en werd drummer in de allereerste versie van de Leif de Leeuw Band. Met Eibe, Robert en later ook even met de niet meer heel jonge Jay. Dat was wel prettig, was ik niet de enige halfbejaarde rocker in de band. We waren een nogal gemêleerd gezelschap, zeg maar.
In het begin speelden we vooral nog covers. Albert Collins, John Mayer, Led Zeppelin, Jethro Tull en uiteraard Free. We waren dan wel geen tribute, maar hadden wel een stuk of vier Free-songs op de set staan. Mooi was dat!
En we deden al snel de eerste optredens. Assen, Tilburg, Waarland, Harderwijk, een leeg plein helemaal in f***king Terneuzen, een goeie support-gig in een volle Boerderij in Zoetermeer en nog zo wat.

Maar eigenlijk veel mooier nog was het dat Leif en ik een sterke band kregen. We reisden vaak samen. Ik pikte hem thuis in Amersfoort op en dan gingen we op weg. Ik had de iPod met al mijn muziek zoals altijd op de shuffle staan, maar we waren meestal zijn straat nog niet uit of daar kwam de bekende vraag.
‘Hé Han, is het goed als ik mijn iPod aansluit?’
‘Ja joh, doe maar’, zei ik dan.
En dan gingen we. Ik achter het stuur, hij verzorgde de muziek.
Tjonge, wat we allemaal niet hebben geluisterd. Blues ja. En veel classic rock. Maar net zo goed oude soul, country en folk. En we genoten van Supertramp, Steely Dan, Eagles en onze gezamenlijke held Joe Walsh. Mocht Joe Walsh ooit nog eens naar Nederland komen, wat wij nog altijd zeer hopen, dan gaan wij daar samen heen, hebben we toen besloten. Net zoals we twee jaar geleden samen naar Jeff Beck zijn geweest en hem backstage een hand mochten heven. Ook zo’n held.

Maar we hadden ook gesprekken. Goede zelfs. Over het leven in het algemeen, over het leven als muzikant. Over drank en drugs. Het klinkt een beetje pedant als ik het zo schrijf, maar ik drukte hem op het hart er voorzichtig mee te zijn. Zeker gezien zijn positie als gezicht van de band en veelbelovend gitarist, wat extra spanning met zich mee kan brengen. Geen drugs, kalm aan met drank, adviseerde ik hem. ‘En meisjes, dat zoek je zelf maar uit. Daar bemoei ik me niet mee”, zei ik. En we hadden lol.

Veel dezelfde taal, ja. Maar na verloop van tijd werd dat toch minder vanzelfsprekend, merkte ik. De taal en de drive van een tiener komen toch niet altijd overeen met die van een veel oudere bandmaat, die ook huisvader is. Andere verantwoordelijkheden heeft.
In het voorjaar van 2011 toerden we weer met Sonny. In een vol schema hadden we maar zo maandag, Tweede Pinksterdag, vrij. “Zeg Han”, vroeg Leif in de pauze van de gig in Deventer, “zullen we maandag dan met mijn band gaan repeteren?” Zijn lach was breed als altijd, zijn blik hoopvol.
En ik wist, hier gaat het mis. Ik keek uit naar een vrije Pinksterdag thuis. Mijn huisgenoten waren benieuwd hoe ik er ook al weer uitzag. Leif had een dag vrij en zin om dan te gaan repeteren. Het grote verschil tussen ons.

Een maand later besloot ik, na een klein jaar, te stoppen. Ik zei Leif dat hij op zoek moest naar een drummer van zijn eigen leeftijd. Ongeveer dan. Hij snapte het en de rest is bluesgeschiedenis.
Of ik ooit spijt heb gehad van die beslissing, werd me naderhand wel eens gevraagd. Nee, nooit. Het was en is helemaal goed zo. Ik heb nadien mooie andere dingen gedaan en ben nu helemaal happy bij The Veldman Brothers. Een band met vier huisvaders, die hun passie, ambitie en drive ook nog steeds niet zijn kwijt geraakt.

En Leif? Die draait als een tierelier met zijn geweldige band. Toerde het afgelopen jaar veel in het buitenland, speelde op het grote Sziget Festival in Boedapest en niet te vergeten in de DRU in Ulft en op Hootchie Koe in Varsseveld. En dit voorjaar is hij weer te gast op deze mooie Achterhoekse locaties.

We zitten dus allebei op onze plek, Leif en ik. Soms, eigenlijk te weinig, komen we elkaar tegen. Laatst nog bij zijn gig in Deventer en kort daarna bij mijn optreden in Rotterdam ,waar hij als stiefbrother met ons Little Wing speelde.
En binnenkort, als alles goed gaat, tijdens het tourtje van onze vriend Sonny Hunt, die eind maart weer vanuit Nashville overkomt en bij wie het bijna zeven jaar geleden allemaal begon. Hopelijk gaan we jammen, Little Wing, Voodoo Chile, Going Down, natuurlijk Cause We’ve Ended As Lovers. En wie weet wel iets van Free.
Dan spreken we weer dezelfde taal. Die van de muziek. Die kent geen leeftijd.

Sonny Hunt

Kan maar zo zijn dat we voor de allerlaatste keer hebben samengespeeld. Sonny Hunt en ik. Want het is maar de vraag of hij weer terugkomt naar Nederland. En, hoezeer ik ook zou willen, het is ook nog maar de vraag of ik ooit weer naar Nashville TN ga en hem daar zal ontmoeten. Die ene week in oktober 2008, toen Sonny, Dick en ik in het countrymekka onze cd The Nashville Blues Sessions opnamen, is één van de hoogtepunten in mijn muzikale leven.

Dat ging afgelopen zaterdag allemaal even door me heen, in BBC in Buurmalsen. Sonny speelde daar samen met de Leif de Leeuw Band in het kader van hun korte gezamenlijke Nederlandse tour. En hij had zijn oude begeleiders The Dirty White Boys uitgenodigd om een paar liedjes mee te spelen. Mooi was het, om weer even met al die oude makkers op het podium te staan en het gitaargeweld over me heen te laten komen.

Ik ontmoette Sonny precies twaalf jaar geleden, tijdens mijn eerste tour met de Tony Spinner Band, begin april 2005. Poundcake-bassist Pascal en ik hadden twee maand daarvoor met succes auditie gedaan voor de job bij Tony, die toen vertelde dat hij voor de gigs een extra gitarist mee zou nemen: Sonny Hunt. Wij vonden het prima, waren allang blij me deze kans. En we hadden trouwens niks te vinden.
Ik was wel heel benieuwd naar Sonny. Tony was een heel prettige jongen, dus ik nam aan dat Sonny dat toch ook wel zou zijn. Dat klopte. ‘Bescheidenheid siert de mens’, schreef ik ooit in Sonny’s bio. Een understatement van jewelste. Sonny bleek een innemende, gemoedelijke, ik zou haast zeggen zachtaardige man. Niet veel woorden, graag wat op de achtergrond. Wat er allemaal in dat vriendelijke hoofd omging, je wist niet altijd.
Sonny’s gevoelens komen uit zijn snaren en uit zijn lach op het podium, als de vibe goed is. En dat was meestal zo. Zijn gitaar is zijn spreekbuis. Het was niet toevallig dat Tony hem heel graag in de band had. In augustus 2005 speelden we op het Leidse Rapenburgfestival een lange set samen met Jan Akkerman en die bleek eigenlijk minstens zo’n groot fan van Sonny dan van Tony. Dat zegt al net zoveel.

Bescheidenheid is een mooie eigenschap, maar het kan je ook in de weg zitten. Had Sonny zich iets meer geprofileerd, dan was hij wellicht bekender, succesvoller geweest als muzikant. Maar de aard van het beestje. Die verandert lastig. En die aard maakte spelen met hem zo bijzonder prettig.
Twee tours ging Sonny mee met de Tony. Daarna lukt het om praktische redenen niet meer. Met de Tony Spinner Band gingen we verder als trio. Sonny kwam daarna af en toe naar Nederland om te spelen met The Dirty White Boys, de band van Dick Stam. Tja, en toen de Boys ineens een drummer nodig hadden, kwam ik in beeld. Of ik interesse had, vroeg Dick, tijdens het Arrow Rock-festival in de zomer van 2008. En hij had direct een mooie klus voor me: dat najaar wilden ze een cd opnemen in Sonny’s hometown Nashville. Als ik zin had, kon ik mee.

Het was een fantastische week, daar in Nashville. Overdag opnemen in de kleine Creekhouse Studio, midden in de bossen, op een kleine uurtje buiten de stad. En ’s avonds bandjes kijken in Nashville. Zo leerde ik Sonny ook van een andere kant kennen. De doorgaans wat teruggetrokken gitarist stuurde zijn riante 4WD rustig en zelfverzekerd door de drukste straten en parkeergarages van de stad en nam ons mee naar de meest achteraf clubs. Alwaar hij vaak met veel enthousiasme werd onthaald. Niet zelden zat hij al snel, gewapend met een akoestische gitaar die er toevallig toch stond, op het podium mee te jammen met de muzikanten van dienst die avond.
Ook nam Sonny ons mee naar de mooiste muziekwinkels, de Country Music Hall of Fame en meer van dat soort muzikale highlights. En hij moest in die week ook nog twee keer zelf spelen, met de band van zangeres Mia Jones. Konden we met eigen ogen zien dat de meeste muzikanten in de States heel hard moeten werken voor een habbekrats. Stond de band daar vier uur lang te spelen in één of andere grillroom met grote tv’s aan iedere wand, ver buiten Nashville, voor een volkomen ongeïnteresseerd publiek. Toen er uiteindelijk een paar mensen besloten om maar eens te gaan applaudiseren , begon Mia ze vervolgens te bedanken alsof de hele Ziggodome uit zijn dak ging.

Toen we laat in de nacht een enorm vette hap zaten te eten bij de dichtstbijzijnde Waffle House, legde Sonny nog eens uit dat spelen in de V.S. niet altijd leuk is. Ten overvloede. We snapten nog beter waarom die Amerikanen zo graag naar Europa komen om te toeren.
Precies wat Sonny ook graag deed. Ik denk dat we van begin 2009 tot eind 2014 een stuk of tien toertjes hebben gedaan. Kort meestal; een week of twee, een gig of acht. Dat zijn er bij elkaar toch een stuk of tachtig. Vooral in Nederland, een enkele keer over de grens. Aanvankelijk als trio, met Sonny, Dick en ik. Maar door de jaren heen werden kwam er een hele rits aan jong (gitaar)talent voorbij. Rory, Leif, Filip, Simone, Eibe en deze afgelopen tour de hele Leif de Leeuw Band. Oude rot Sonny gaf ze alle ruimte. Zelf deed hij graag een stapje terug. Zijn bescheidenheid. En dat is mooi.

We deden allerlei soorten gigs. Leuke, grote, kleine, snel-te-vergeten, goeie en hele mooie. Het grote podium van het Highlands-festival in mei 2011 in Amersfoort was een hoogtepunt. Gary Moore zou dat festival afsluiten, maar hij overleed kort daarvoor. Dat vonden wij jammer, want samen met Gary Moore op de bill, dat was wel cool geweest. Bizar eigenlijk dat je dat dan denkt.
Ik weet eerlijk gezegd niet meer wie Gary’s plaatsvervanger was op Highlands. Het deed er ook niet toe, want later op die avond hadden we nog een gig, in jazzclub DJS in Dordrecht. We moesten helaas dus al weer snel weg van Highlands. Sonny reed met mij mee. In Dordrecht waren wat wegen opgebroken, waardoor we aan het dwalen kwamen door de stad. Mooi hoor, Dordrecht. Maar een paar weken later had ik een bon van 65 euro voor te hard rijden. Ook dat blijft je bij.

Net als die gig in die kleine, maar bomvolgepakte bluesclub in ’s-Heer Hendrikskinderen in Zeeland. Je leert nog eens wat topografie als muzikant. Of die ene in het Duitse Krefeld, de eerste show met Simone. Veel te weinig mensen, een stuk of vijftien, maar ze stonden allemaal op de banken, tafels en wat dies meer zij. Dat was ook bijzonder.
En natuurlijk het tripje naar het bluesfestival in Vianden in Luxemburg. De line-up met Leif en Eibe. Heerlijk gespeeld en nadien smaakten de halve liters Diekirch zo goed dat we met lichte dwang de bar van het hotel werden uitgezet. Sonny ook, ja. Hij was jarig die dag en dronk gezellig mee. Dat deden we niet vaak. Het was een beregezellige avond.

Maar eigenlijk waren we, ondanks die vermaledijde bandnaam, dus best wel brave jongens. Want uiteindelijk ging en gaat het ook bij Sonny Hunt & The Dirty White Boys om de muziek. Groove, gitaren, solo’s. Teveel solo’s soms, dat vond ik wel. Niet ieder nummer hoeft te worden uitgerekt tot een jam van minstens acht minuten. Daar hadden we vaak over. Nee, we moeten niet teveel jammen, besloten we dan. Maar ´s avonds op het podium was dat alweer vergeten. Gitaren, lange jams, dat was de kracht van de band. Op het live-album Hitting The Noot uit 2011 is dat mooi geregistreerd. Gitaargeweld, maar wel met veel passie en gevoel. Want dat is Sonny. Een man van weinig woorden. Een man die zijn ziel en zaligheid legt in zijn gitaar.

Bijna twaalf jaar hebben we samen gespeeld en prachtige momenten beleefd. Misschien afgelopen zaterdag wel voor het laatst. Misschien zelfs hebben we elkaar die avond wel voor het laatst gezien. Het allerlaatst. Dat realiseerde ik me goed toen ik aan het eind van een mooie avond nog een stevige hug gaf.
Thanx very much Sonny. For music, friendship, fun, good times and that wonderfull week in Nashville Tennessee. Hope we’ll meet again. Somewhere, someday!!