Cesar 70

Het is natuurlijk onvermijdelijk als je zelf ook een jaartje ouder word. En bent opgegroeid met de grote rockbands uit de seventies. Dan worden je drumidolen ook langzaam oude mannen. John Bonham, Cozy Powell, Mick Tucker, ze zouden nu allemaal 70 zijn geweest. Of + al zelfs. Ian Paice is het vorige maand geworden. En Cesar is het vandaag. 70 jaar.

Vroeger was je dan met recht oud. Zeker voor rock’n roll. Cesar niet. Die is still going strong. Net zoals die andere drie Earrings. Het blijven een soort van kwajongens. Maar iconen zijn het inmiddels ook. De band en de leden. Alle vier even onvervangbaar in de band. Met Cesar als mijn drumheld. Al 45 jaar.

Mensen kijken me soms aan of ik niet helemaal in orde ben, als ik vertel dat Cesar mijn favoriete Nederlandse drummer is. Er zijn, zo hoor ik dan, toch wel betere drummers!? Poeh ja, het zal vast. Maar ‘beter’? Het interesseert me maar matig. Uiteindelijk gaat het om wie het lekkerst boem-tjsak speelt. Maar ook om wie de beste uitstraling en performance heeft, de meest legendarische albums en songs heeft ingespeeld. En de fijnste danwel bekendste grooves.

Bij mij begon dat met de allerbekendste: de shuffle in Radar Love. Niet dat ik toen enig idee had van shuffles. Ik was elf. Maar het ritme dat Cesar aan het begin van Radar Love op zijn snare speelde, dat pakte. De drumsolo in het midden van de song nog meer. En helemaal dat bijbehorende filmpje dat ik zag op TV. Zal wel Toppop geweest zijn. Met die vier enorm stoere rockers. En Cesar achter zijn dubbele, zilverkleurige Fibes-kit. Relaxed, soepel, beetje goochelen met zijn drumsticks. Die coole houding, die gaandeweg zijn handelsmerk werd. Evenals zijn zo herkenbare boem-tsjak.
Ik werd Earring-fan. Maar vooral bewonderaar van Cesar.

Mijn voorkeur gaat naar het jaren zeventig-werk van de band. Instant Poetry, gaaf nummer. Nooit live gehoord trouwens; te lastig, denk ik. Maar ook Ce Soir, Sleepwalkin’, Just Like ince Taylor, Bombay. En wat te denken van Golden Earring Live. Een monument van een dubbelalbum. Nog steeds.

Over live gesproken. Ik heb ze heel vaak gezien, de Earring. De eerste keer, een kleine 40 jaar geleden, hier in mijn stad Zutphen, in de prachtige Buitensoos. Door Barry Hay wel eens het ‘Paradiso van de Achterhoek’ genoemd. Of ‘van het oosten’. Zoiets. Ze speelden er in ieder geval graag, want in de jaren tachtig kwam de Earring vrijwel jaarlijks naar Zutphen.
Meestal was ik erbij. Eerst nog gewoon als bezoeker. Die keer dat ik me, samen met vriend en geluidsman Jan Molema, na afloop van de show aan de rand van het podium stond te vergapen aan Cesar’s imposante, witte Pearl-kit. Zojuist volop bespeeld, nu stond die daar verlaten. Alleen dat vond ik al een beleving. Zo dicht bij zijn drumstel.
In die tijd heb ik mijn toenmalige drumkit – ook een Pearl, maar dan een zilvergrijze WLX – ook gemodelleerd naar die van Cesar. Dubbele bass, toms beetje recht, evenals de crashes. En dan één crash precies middenvoor tussen de racktoms. Zo had hij het ook.

Een paar jaar later, februari 1988. Ik was net aangesteld als popmedewerker bij de dagbladen hier in de regio. Powerplay was support van Golden Earring in de Buitensoos. Ik had een interviewafspraak met Powerplay’s Jan van der Meij en mocht na hun optreden backstage komen. Stond ik ineens per ongeluk midden in de kleedkamer van de Earring. Cesar zat op een stoel direct rechts naast de deur een beetje met zijn stokjes te tikken. Op te warmen, zeg maar. Ik wilde meteen rechtsomkeert te maken, maar bedacht me. Raapte mijn moed bij elkaar.
‘Eh…. Hallo’, zei ik.
‘Hoi’, zei Cesar.
En ik realiseerde me: dit is mijn kans. Ik gaf Cesar een hand, vertelde dat ik namens het Zutphens Dagblad kwam en op zoek was naar Jan van der Meij. Dan moest ik achter het podium langs naar de andere kleedkamer, wees hij me de weg. Ik vroeg nog of hij zin had om te spelen vanavond. Niet een enorm intelligente vraag. Maar hij antwoordde vriendelijk. Dat de Earring niet toert omdat het moet, maar omdat ze het gewoon heel graag doen, vertelde hij. Ik heb het nog meegenomen in mijn recensie.

Ik ging daarna richting Powerplay. Opgetogen. Want het meest belangrijke en tevens ongeplande interview had ik zojuist al achter de rug. Na afloop van het gesprek met Van der Meij nog een tijdje backstage naar de Earring en Cesar staan kijken. Zag ik hem daar van dichtbij. Relaxed, soepel, beetje goochelen met zijn sticks. Mijn avond was meer dan geslaagd.

Een tijdje later ook nog eens wat onaardigs geschreven over Cesar, trouwens. Hij deed, ook in de Buitensoos, een drumsolo met een handdoek over zijn hoofd. Die handdoek vond ik, in vergelijking met die spectaculaire act met dat jasje met samples van eerdere tours, maar zo zo. Dat stond de maandag erna in de krant. Dinsdag lag de eerste boze brief al op de redactie. Handgeschreven; email en social media, dat kenden we niet. Het was nog net geen doodsbedreiging. Ook dat bestond nog niet. Maar de boodschap was duidelijk: kom niet aan de Earring. Of aan Cesar.
Zo is het natuurlijk eigenlijk ook.

En dus ging ik kort daarna vol goede moed voor de krant naar een middelbare school hier in de regio. Cesar gaf er een clinic. Hij droeg die middag een sweater van het nieuwste Earring-album Love Sweat. ‘Een Love-sweater’, schreef ik nog heel bijdehand in mijn artikel.
Maar vooral mooi om te zien hoe hij dat deed met die pubers. Losjes, geintjes en ondertussen speelde hij toch wel heel lekkere dingetjes, viel me op. Van die hoogstandjes en exotische ritmes die hij tijdens Earring-shows niet kwijt kon. Daar op die school heb ik Cesar nog een paar korte vragen gesteld. Maar een uitgebreid interview zat er niet in.

Ook niet die keer in Musis Sacrum in Arnhem. Golden Earring speelde er unplugged. Het album Millbrook USA was net uit en ik zou een interview doen voor het toenmalige magazine People & Music. Eenmaal backstage viel ik midden in het diner van de band. Cesar legde, net als de andere bandleden, netjes zijn mes en vork neer, rommelde nog even wat met zijn servet en gaf me een hand.
‘Cesar’, zei hij. Ja, dat wist ik wel.
Vervolgens nam Barry Hay de honeurs namens de band waar. Ook goed en leuk. Misschien wel de beste Earring als het aankomt op pittige uitspraken en dus een leuk artikel. Maar een mogelijk interview met Cesar ging weer aan mijn neus voorbij.
Wel een mooie gig gezien, later die avond. Akoestisch, klein drumkitje. Maar toch. Relaxed, soepel, beetje goochelen met zijn drumsticks. Cesar.

Misschien maar goed ook dat het echte interview er niet kwam. Van alle hier in het begin genoemde drummers heb ik er nooit één geïnterviewd. Helden moet je eigenlijk ook niet spreken, die moeten een beetje mythisch blijven. En dat is Cesar nog altijd.

Niet alleen voor mij trouwens. Vraag een willekeurige oudere jongere in ons land wie Cesar is en een enkeling zal iets roepen over Julius. De rest zegt Zuiderwijk. En Golden Earring. Een grotere rockband heeft ons land nooit gehad. Een groter drumicoon is er nooit geweest. Die zal er ook niet komen.

Ooit, ergens in 1989, schreef ik een recensie over een Earring-concert in het Overijsselse Holten. Het was gewoon een ouderwets goeie show. Maar ook wel wat voorspelbaar, vond ik. Ik schreef dat de mannen een dagje ouder werden. Rond de 40 al wel. Vroeg me af hoelang ze het nog zouden volhouden. ‘De Nederpop (zo heette dat toen) zonder Golden Earring, dat zou raar zijn’, eindigde ik mijn stukje.

Mijn twijfel over de houdbaarheid van de Earring bleek nogal een misvatting. Dertig jaar later, ze zijn er nog steeds. Is Cesar er nog steeds. Sterker nog, sinds ik me bewust ben van pop- en rockmuziek, sinds ik ben gaan drummen, is hij er altijd geweest.
En ik hoop oprecht dat het nog even zo blijft. 70 is niet piepjong, nee. Maar tegenwoordig ook niet meer stokoud. Zeker niet voor kwajongens als de Earrings. Zeker niet voor Cesar. Nog altijd relaxed, soepel, beetje goochelen met zijn sticks.

Cheerz Cesar, dank voor alle muziek, drums en inspiratie. En vooral: van harte en nog heel veel jaren!
En dat van die Nederpop zonder Golden Earring? Laat dat nog maar een jaartje of wat wachten!

Drumconcert 2018

Alweer een drumseizoen afgesloten. Deze week de laatste reguliere lessen gedaan. Volgende week nog een paar losse lesjes, maar dan is het toch echt vakantie.

Rare combinatie eigenlijk, muzikanten en vakantie. Want muziek maken is het liefste wat ze doen. Ook in de vakantie. Ik hoor dat ook al van sommige van mijn leerlingen; dat ze eigenlijk helemaal geen drumvakantie hoeven. Mooi is dat. Anderzijds weet ik dat met name de (piep)jonge drummers de zomervakantie wel heel fijn vinden. En dat is die natuurlijk ook. Even geen verplichtingen.

De echte afsluiting van het seizoen was eigenlijk mijn drumconcert van vorige week zondagmiddag bij NR.2 in Vorden. Het optreden waaraan het grootste deel van mijn drumleerlingen meedeed. Ze speelden allemaal een nummer met een echte live-band. De vijfde keer alweer, dit concert. En de tweede keer dat ik het in mijn eentje heb georganiseerd.
Als je niet perse in het middelpunt van de belangstelling hoeft te staan en niet enorm de behoefte hebt om het hele programma aan elkaar te praten, dan is dat nog best een dingetje. Zo één waarvan je je op de zondagochtend vertwijfeld afvraagt waarom je het ook alweer hebt gewild. Zeker als je de nacht ervoor om 4 uur thuiskwam van een gig in Zuid-Limburg.

Maar dan, als het eenmaal zover is. Als de soundcheck voorspoedig is gegaan, de eerste twee drummers heel goed hebben gespeeld en ik me langzaam relaxed begin te voelen achter die presentatiemicrofoon, dan wordt het leuk. Dan verbaas je je over de prestaties van de jongens en meisjes achter de drumkit, die soms net zo gespannen waren als ikzelf, maar toch boven zichzelf uitstijgen.
En over die van de bandleden Meindert, Hans, Marcel en Jacco, die al die nummers moesten instuderen en nauwelijks gelegenheid hadden dat samen te repeteren. Er gaat dus wel eens wat fout. Dat is niet erg. En bovendien, dat lost zich vanzelf weer op. Zo gaat dat live. Ook een mooie ervaring voor drummers.
Dan zeggen de fans achteraf: “Fout? Niks van gehoord!” En dat zeggen ze niet om aardig te zijn. Nee, het valt gewoon niet op.

Maar vooral ging er veel goed. Heel veel. Niet alleen muzikaal trouwens. De zorg vooraf over de hitte en teveel mensen bleek gelukkig niet nodig. De ventilatoren van Piet, en, buiten, de ijskar van Mieke deden hun werk. Ondertussen speelden wij door. Van Wulf en Niall Horan via Bruno Mars en John Mayer naar Led Zeppelin, Iron Maiden en – waarom niet – een harde versie van Metallica’s Sad But True. Als afsluiter Eagles, met Lobke, die net een jaartje drumt, als Don Henley en Meindert’s gitaarleerling Stijn als gastgitarist. En tussendoor veel drumsolo’s en -duels. Het is toch een drumconcert, nietwaar.
Langzaam viel alles op zijn plek. En wist je weer waarom je het ook alweer wilde.

Dan is het heel leuk om in de week erna nog die allerlaatste les te doen. Nog wat liedjes spelen en vooral napraten over de zondag, over het optreden. Als er dan alweer een paar drummers zijn die al een idee hebben welk nummer ze volgend jaar willen gaan doen, of iets aardigs hebben meegebracht (Had je niet hoeven doen. Nee, echt niet! – maar toch heel leuk:), dan weet je helemaal weer waarvoor je het ook alweer deed.
Volgend jaar dus weer, drummers. Afgesproken!
En een hele fijne vakantie gewenst!! Ondanks geen drumles…….

Countdown Café

Het was in de jaren tachtig en negentig beetje het rebelse jongetje van Hilversum 3, Countdown Café. Met name in de tijd van het presentatieduo Alfred Lagarde en Kees Baars, die op de vrijdagavond tussen tien en twaalf uur deden en draaiden waar ze zin in hadden. Een vrijstaat binnen het steeds meer geformatteerde radioland, zo leek het wel. En een programma waar (hard)rockliefhebbers iedere week voor thuisbleven.
Want (hard)rock, dat was wat Alfred en Kees vooral draaiden. In de jaren voor Countdown Café moesten we het doen met eens in de week Lagarde’s Betonuur op de dinsdagmiddag en daarna nog tijdje Stampei met Hanneke Kappen. Maar toen kwam Countdown Café, ook met goeie muziek én live-bands. U2 ooit nog. Een begrip in rockland, dat was het.

Eind jaren tachtig waren we er met onze toenmalige band Vangouw voor het eerst te gast. De band was net nieuw, maar kende een bliksemstart. We hadden nog nooit live gespeeld. Ja, één keer, tijdens de audities van Veronica’s Sterrenjacht. Een beetje de eenvoudige voorganger van Idols en The Voice, zeg maar. In de kantine van Veronica speelden we, net als nog een hele rits andere bandjes, drie eigen nummers. Jurylid Alfred Lagarde klapte het allerhardst en riep iets van ‘Yeah!’. Dat betekende wat in die tijd.
Vangouw kwam de audities met glans door; we plaatsten ons voor de radio- en vervolgens de TV-editie van Sterrenjacht. Twee keer mochten we de studio in, een eigen liedje opnemen voor het programma. Met Lagarde als producer!

Dat was een aardige belevenis. Allereerst al de luxe van de Bolland Studio’s – het mocht wat kosten blijkbaar. Maar de belevenis was vooral Alfred Lagarde zelf. Met veel passie, enthousiasme, energie en een onafscheidelijke borrel, haalde hij het beste uit ons naar boven. Terwijl ik de drums inspeelde stond hij voor me, wild zwaaiend met zijn armen, om me op te zwepen. “Niet te moeilijk doen. Grooven, power. Speel in dienst van de song”, dat was zijn boodschap. En die ben ik nooit meer vergeten! Nog altijd als ik de drumpartij van Simonaï hoor, dan ben ik er tevreden over. Net als over de hele song trouwens.

Maar goed, we waren een rockband, we zaten in Veronica’s Sterrenjacht en dus werden we ook uitgenodigd in Veronica’s Countdown Café. Twee keer zelfs. Niet om live te spelen trouwens, geen idee meer waarom niet. Het ging om een interview en er werden twee songs gedraaid. Wij reden er graag voor naar Hilversum. Ik herinner me vooral een enorm gezellige boel, daar in de studio. Genoeg bier, goeie muziek, een ogenschijnlijk wat chaotische setting. We hadden het naar de zin, Alfred en Kees ook. En ondertussen draaide Alfred gewoon zijn zelf geproduceerde Simonaï op de nationale radio. Het kon gewoon allemaal. En wij blij.

Dertig jaar later heeft Countdown Café niet meer de statuur van weleer. Dat is in het huidige medialandschap ook haast onmogelijk, zeker als je als radioshow nog steeds zo je eigen gang gaat. Want op welke zender hoor je tegenwoordig nog gewoon een half uur Journey live? Juist ja, bij Countdown Café.

Het programma is er, na een tijdje afwezigheid, dus nog steeds. Met Kees Baars dan; Alfred Lagarde is er twintig jaar geleden helaas tussenuit geglipt. En nog wekelijks spelen er live-bands in Countdown Café. Twee jaar geleden waren we er met de Brothers voor het eerst te gast. Toen in Hilversum. Vorige week waren we er weer, maar dan in de Q-Factory in Amsterdam, waar Countdown Café tegenwoordig wordt opgenomen. Het programma is namelijk niet meer live in de ether, zoals vroeger. Dat neemt wel iets van de magie weg.
Maar toch, optreden bij Countdown Café is nog altijd een kleine eer. Twintig minuten spelen, goed opgenomen, gefilmd en uitgezonden. Op de zender, maar vooral ook op het wereldwijde web. Facebook, YouTube. Goed voor de p.r. En als een man met het muzikale gezag van Kees Baars dan ook nog zegt dat de band heel goed is, dan betekent dat nog steeds wat. Zeker nu ik bezig ben met mijn afscheidstoer met The Veldman Brothers.

Countdown Café herinnerde me tot voor kort vooral altijd aan mijn bandje van dertig jaar geleden. Maar nu is het zeker ook één van de vele mooie herinneringen aan de Brothers.

Herman Brood Academie

Het was me wat. Herman Brood kwam. Nederlands’ meest beruchte rock’n roller. Toen al. Het was maart 1981 en Brood ging met zijn Wild Romance optreden op een zondagmiddag in zaal Molenzicht. Een heel gebeuren voor een dorp waar hooguit soms een plaatselijke band optrad tijdens de jaarlijkse zwemvierdaagse.
Blackbury Accident was zo’n plaatselijke band. We timmerden al een jaar of twee aardig aan de weg in de regio, hadden een dikke maand eerder onze single Overdose Of Love uitgebracht en zodoende mochten wij die zondagmiddag openen voor Herman Brood.
In het voorprogramma van een beroemde band. Dat was ook wat!

Het Brummens Weekblad maakte er netjes melding van. Zoals dat in die tijd gebeurde. De krant had, als ik het me goed herinner, één correspondent cq redacteur: mijnheer Nauta. Een statige oude man, met vaak plechtig taalgebruik. Niets in het dorp ging voorbij zonder dat mijnheer Nauta aanwezig was en er mooi verslag van deed.
Ook vooraf schreef hij al een stukje over het komende concert. Over een band die garant staat voor een ‘puike swingende middag’; dat ‘puik’ had hij vast niet zelf verzonnen. En dat Blackburry Accident het voorprogramma zou verzorgen.
Bijna iedereen schreef onze bandnaam fout in die tijd. Zelfs mijnheer Nauta.

Het was niet de eerste keer dat we support act waren. Zo hadden we een half jaartje eerder in Eerbeek al geopend voor Diesel, de band van nederpopklassieker Sausalito summernight. Een om meerdere redenen gedenkwaardige avond, maar niet vanwege het leuke optreden. Een goed geluid was ons door de hoofdact toen namelijk niet gegund. Het was bar slecht zelfs.
Hoe anders was dat bij Herman Brood. Zijn geluidsmensen verleenden ons alle medewerking. Toen we eind van de ochtend in Molenzicht aankwamen, stond de backline van de Wild Romance al gesoundcheckt klaar. Wij mochten er voor opbouwen. Ik kreeg een flinke monitorbox links naast me.
Wat ik daarop wilde horen? Ik had geen idee eigenlijk. Was niet gewend om met een goeie monitor te spelen. Dus gaf de monitorman me als test eerst maar eens wat bassdrum over de monitor. Ik trapte m’n pedaal in en hoorde en voelde de power uit de speaker komen. Wauw! Dat was met recht een kick. Beetje snare erbij, basgitaar, zang, een spatje gitaar; ik was de koning te rijk met zo’n power naast me uit die ene speaker.
Wel geinig trouwens om te merken hoe dingen door de tijd veranderen. Tegenwoordig komen monitorjongens ook altijd netjes informeren wat ik over mijn monitor wil horen. “Doe maar niks”, zeg ik dan meestal. En ze kijken verbaasd. “Huh…. niks??” Maar onze band is op het podium zo in balans dat een harde drummonitor dat alleen maar verstoort. Hooguit op grotere podia een beetje basgitaar en kick. Meestal meer dan genoeg.

Maar op die zondagmiddag in het vroege voorjaar van 1981 kickte ik op die fijne monitor. We hadden een heerlijk optreden. Ons beste tot dan toe. Volle zaal, goeie respons, goed geluid. Zoiets. Ik weet het allemaal niet meer precies, maar herinner me vooral bij de hele band een soort euforie achteraf.
Die werd alleen maar versterkt toen we na een uurtje spelen terugkeerden naar het tot kleedkamer gebombardeerde zijkamertje van Molenzicht’s café. Wie zat daar? Herman met z’n drie bandleden. Nieuwe bandleden dat wel. De succesbezetting van Shpritsz en Cha Cha was vervangen door een geheel nieuwe Wild Romance. Maar dat deed weinig aan de opwinding af.
Zaten we daar ineens, moe maar zeer voldaan, aan eenzelfde tafel als Herman Brood en zijn band. Ik raakte in gesprek met drummer Anthony Del Monte Lyon. Een vriendelijke Hagenaar, maar vooral een hele fijne, steady rockdrummer. Later zou hij nog opduiken in bands als Personnel, De Steile Wand en De Raggende Manne. Vijf jaar geleden is Del Monte Lyon overleden. Ik schrok ervan toen ik het las.

Ik geloof niet dat ik die middag iets gezegd heb tegen gitarist David Hollestelle en bassist Wally Langdon. En al helemaal niet tegen Herman Brood zelf, die er wel was, maar eigenlijk ook weer niet. Hij maakte, zeg maar, geen enkel contact met de rest van de aanwezigen, daar in dat kleine zijkamertje van Molenzicht. Brood zat in zijn eigen kamertje.

Soortgelijks had ook mijnheer Nauta gemerkt. Naar verluidt was onze correspondent voorafgaand aan Brood’s optreden vol goede moed diens kleedkamer ingestapt om hem wat vragen te stellen. Hoe hij het nou vond om in ons mooie dorp op te treden? Dat soort dingen. Maar daar had Herman helemaal geen oren naar. Ik vermoed dat hij ook geen flauw benul had in welke dorp hij vandaag weer was terechtgekomen.
Dus mijnheer Nauta kreeg, zo hoorde ik later, geen enkel zinnig woord uit onze rock ’n rollheld en droop teleurgesteld, maar vooral geïrriteerd weer af. Begrijpelijk wel.
Herman Brood had geen beste beurt gemaakt bij de verslaggever, die dat vervolgens netjes, maar evenzeer vilein in zijn artikel opschreef.
‘Beter dan de heer Herman Brood, die buiten zijn optreden een volledig gemis aan educatie aan de dag legt’, zo lazen wij de woensdag erop in de nieuwe editie van ons weekblad.

Kort geleden, pakweg 37 jaar na dato, waren we met onze zoon op een prachtig mooi florerende en bruisende muziekopleiding in Utrecht. Genoemd naar die legendarische muzikant met dat volledige gebrek aan educatie.
De Herman Brood Academie.
Mijnheer Nauta had het niet zullen geloven.

Cozy

Zo af en toe eens even je rommel opruimen. Je komt nog eens wat tegen.
Zoals een oud lijstje dat ik ergens eind jaren zeventig kreeg van mijn kleine broertje. Die inmiddels al ruim de 40 is gepasseerd. Maar kleine broertjes blijven altijd kleine broertjes.
Ik ben bijna tien jaar ouder. Dus ik was zeker in die tijd zijn grote broer. Of grote broers dat door de jaren heen ook altijd blijven weet ik eigenlijk niet. Ik zal het eens bij mijn kleine broertje informeren.

Maar mijn broertje, hij zal niet ouder zijn geweest dan een jaar of acht, had destijds voor zijn grote broer een single op de kop getikt van Rainbow. L.A. Connection en op de achterkant Lady Of The Lake. In rood vinyl. Hij had van de single, de hoes en twee plaatjes van bandbaas Ritchie Blackmore een leuke collage gemaakt en die in een lijstje verpakt.
Ik kreeg het cadeau. Geen idee meer waarvoor. Misschien wel zomaar. Maar ik was er zeer verguld mee. De lijst heeft sindsdien in ieder huis waar ik woonde ergens aan de muur gehangen. Totdat het glas vorig jaar sneuvelde en de lijst tussen de rommel belandde. Waar ik hem laatst weer uithaalde.
Rainbow was de eerste échte rockband waar ik enorm fan van was. Tot die tijd luisterde ik, zoals hier wel vaker verteld, naar de singles van Status Quo, Alice Cooper, Queen, Slade en vooral The Sweet, met terugwerkende kracht toch ook allemaal serieuze rockbands trouwens. Maar Rainbow was een band van LP’s. En met Cozy Powell als drummer!

Cozy Powell, na Sweet’s Mick Tucker mijn tweede grote held. Ik was een jaar of elf toen Powell als drummer (!) een singlehit had met het op Hendrix’ Third Stone From The Sun gebaseerde Dance With The Devil.
Ik zag hem met zijn grote red sparkle Ludwig-kit in Toppop dat nummer drummen. Twee 26″ bassdrums, de maten zeiden me toen nog niks. Maar wel zijn naam erop. Cozy op de linkse bassdrum, Powell op de rechtse.
Dat leek me ook wel wat. Maar ja, in mijn geval zou dat drie letters op de één en tien op de andere betekenen. Dat zag er niet uit, de hele boel uit z’n evenwicht. ‘Cozy Powell’, dat klonk en oogde veel beter.

Hij intrigeerde met mateloos. Dus dat Powell een jaar of vijf later ineens opdook bij Rainbow, de nieuwe band van Deep Purple’s Ritchie Blackmore, was een enorme verrassing.
En dan die zanger, Ronnie James Dio. Alleen die naam al! Ronnie James Dio.
Maar vooral die stem. Zo krachtig, dat had ik nog nooit gehoord.
De live-dubbelaar On Stage was het eerste wat ik van Rainbow kocht en plat draaide. Ik drumde vooral mee op kant 1 en 4 van het album. Kill The King, Still I´m Sad en de slowblues, simpelweg Blues getiteld. Mijn eerste kennismaking met blues. Nu nog, als ik met The Veldman Brothers een slowblues speel, zit er altijd wel ergens een Powell-dingetje doorheen.
Na On Stage kocht ik Long Live Rock´n Roll en, met iets terugwerkende kracht, Rainbow Rising. Deze tweede platen strijden al jaren in mijn lijstje om de titel ´Beste Classic Rockalbum Ever´. Net zoals trouwens Rainbow, Purple en Zeppelin om de titel beste classic rockband.
Ik neig telkens weer naar Rising, maar Long Live Rock´n Roll is ook een klassieker. Afsluiter Rainbow Eyes is weliswaar wel erg zoetjes, maar Gates Of Babylon, tjonge wat een song en wat een heerlijk drumwerk van Cozy Powell! Maak me midden in de nacht wakker en ik speel de groove en fills nog altijd direct mee.

Het navolgende Down To Earth viel wat tegen. Dio was vertrokken, de mij destijds onbekende Graham Bonett zijn vervanger. Best nog wel goeie songs, zoals Eyes Of The World, maar de grootse, mystieke magie was verdwenen. Vooral de pakkende cover Since You Been Gone was een knieval naar meer commercieel succes. Dat zette zich op latere albums door. Rainbow werd langzaam een soort van AOR-band.
Maar op die latere albums had Cozy Powell z’n biezen al gepakt. Ik vraag me nog altijd af of hij eigenlijk op het Dio-loze Down To Earth de lol er al niet afhad. Zijn drumwerk op die plaat is powerfull en strak als altijd, maar ik mis de creativiteit. Opvallend is dat hij op de hele plaat vrijwel geen toms gebruikt. Fills enkel op de snare. Allemaal raak, dat wel.
Ik had er een gemengd gevoel over. Maar dat wilde ik als Rainbow- en Powell-adept niet toegeven.

Tegelijkertijd was ik enorm opgetogen dat ik op 2 februari 1980 met een groepje oudere dorpsgenoten mee mocht naar de Rotterdamse Ahoy, waar die avond de Down To Earth-tour van Rainbow zou neerstrijken. Ik zou mijn held Cozy Powell voor het eerst in het echt gaan zien!
Ook dat viel tegen. Vanaf de tweede ring van de Ahoy keken we deels tegen een muur van aloude P.A.-kasten aan. Het ontnam mij vrijwel volledig het zicht op Powell. Ik herinner me alleen een spiegel ergens op het podium dichtbij bij de drumkit. Geen idee wat die daar deed, maar daardoor kon ik een glimp van Powell en zijn grote drumkit opvangen. Geen Ludwig meer trouwens, maar een metallic Yamaha.
En ook de setlist stelde teleur. Vrijwel niets van Rising of Long Live Rock’n Roll. Na openingstune Over The Rainbow verwachtte ik Powell’s keiharde flam op de snare en daarna het intro van Kill The King. Net zoals op On Stage. Maar het beginmuziekje werd gevolgd door het keyboard-intro van Eyes Of The World, waarna de in een colbert en vetkuif gehulde Graham Bonnet het podium op kwam. Hij leek op Elvis.

Cozy Powell speelde nog wel zijn destijds fameuze drumsolo met daarin Tsjaikovski’s ‘Ouverture 1812′ verwerkt. Maar goed, dat bombastische stuk hoorde ik alleen maar. En Blackmore sloeg aan het eind traditiegetrouw zijn witte Fender Stratocaster aan diggelen. Waarvan iedereen beweerde dat hij de Fender even daarvoor had vervangen door een goedkope imitatie.
De witte gitaar, of wat er van over was, hing aan het eind van de show eenzaam boven het podium, aan een paar laatste snaren. Een felle spot erop gericht. Over The Rainbow klonk weer uit de grote P.A.-boxen. De zaallichten gingen aan en de Ahoy liep langzaam leeg.
Ik was vast niet de enige met gemengde gevoelens.

Later nog wel eens naar Rainbow geweest. Maar de grootsheid van het illustere trio Blackmore/Powell/Dio was er nooit meer. Om over die reunie-gigs van vorig jaar – afgaande op YouTube althans – maar te zwijgen. David Keith in de rol van Cozy Powell. Hoe bestaat het. En mevrouw Blackmore in het achtergrondkoortje. Een koortje bij Rainbow! Ronnie James Dio zal zich in zijn graf hebben omgedraaid.

Gelukkig heb ik Cozy Powell in de jaren tachtig nog een paar keer gezien. Goed gezien ook. In Vredenburg met MSG en Whitesnake. In de Jaap Edenhal met Black Sabbath, waar die avond letterlijk de plafondplaten naar beneden kwamen.
Ook die keren speelde hij telkens dat bombastische Ouverture 1812. Een stuk waarvan ik midden jaren tachtig een eigen versie maakte. In de bibliotheek wat klassieke LP’s geleend, vooral Tsjaikovski uiteraard. Daar wat zware passages uitgehaald, die achter elkaar geplakt op een cassetteband en daar deed ik dan mijn drumsolo op in die tijd. Kitscherig en eigenlijk helemaal niet moeilijk. Maar de bombast werkte goed. Met dank aan Cozy Powell!

In 1998 is mijn held helaas omgekomen door een auto-ongeluk. Dat was schrikken. 50 jaar, nog een half muziekleven voor zich. Maar een imposante carrière achter zich.
Later ontdekte ik zijn vroege werk met de Jeff Beck Group. En kort voor zijn dood werkte Powell nog met bluesheld Peter Green. Powell was veel meer dan die harde houthakker die hij in de jaren tachtig en negentig werd. Hij was zeker ook van de groove, de blues en de funk. Dat is ook te horen op zijn soloalbums.

Maar voor mij was Cozy Powell op zijn best in Rainbow. Op Rising, On Stage en Long Live Rock ’n Roll. Die rode vinyl-single is daar een mooi aandenken aan. Ik heb nog even gegoogeld, was toch benieuwd of die bijzonder is. Op Amazon kost de single dertien dollar. Niet enorm bijzonder dus. Maar ik doe ‘m hoe dan ook niet weg. Voor mij is die wél bijzonder.
Mijn vrouw heeft er inmiddels een nieuwe lijst omheen gedaan. De collage van mijn kleine broertje intact gelaten. Ze kent mijn sentiment.
Kan ik hem weer ophangen, dat cadeau van mijn kleine broertje. In m’n drumruimte, dat lijkt me mooie plek. Jonge drummers af en toe even wijzen op één van de beste classic rockbands ooit. Maar vooral op mijn grote jeugdidool: Cozy Powell.

From The Heart

Het was weer een mooi muziekjaar. Veel gigs in binnen- en soms in buitenland. Eén van de leukste en meest verrassende trips met de band vond ik die naar Rendsburg, helemaal boven in Duitsland. We speelden daar afgelopen voorjaar op het Bullen Blues’n Rock-festival in de plaatselijke Nordmarkhalle. Samen met de band van gitarist Bernie Marsden – ooit van Whitesnake – en met Ten Years After.
Ik vond het een goeie line-up. Veel oude, haast bejaarde bluesrockers, dat wel. Maar Bernie Marsden was lang geleden een belangrijke pilaar in het toen nog bluezy Whitesnake. En hij is mede-componist van onder meer Here I Go Again. Dus hij heeft zijn pensioen wel op orde.

Ten Years After is een soort van legendarische band. Weliswaar allang zonder de inmiddels overleden voorman Alvin Lee. Maar verder is de band nog helemaal intact. Dat dacht ik althans…
En TYA speelde in 1969 wel mooi op Woodstock. Samen met Jimi Hendrix en nog veel meer grootheden. Dat alleen is al bijzonder zat.
Nu stond datzelfde Ten Years After op de bill met The Veldman Brothers. Nou ja, andersom dan eigenlijk. Wij met hen. Maar toch, zo kan het gaan in een muzikantenleven. De ene keer deel je het podium met Hendrix, een tijdje later met The Veldman Bros.

Het leek de vier TYA-mannen niet te deren. Zeker niet de kersverse en, vergeleken bij zijn drie medebandleden, piepjonge gitarist/zanger Marcus Bonfanti. Een vrolijk ogende Brit, met lang zwart haar en een dito baard. Hij was nog lang niet geboren toen Woodstock plaatsvond.
Wij waren met The Veldman Brothers de opener van het Bullen-festival. Om vier uur in de middag. Zeg maar het soort optreden waarvoor je om half zeven uur in de ochtend je wekker moet zetten. Want het is even rijden naar Rendsburg.
Maar aan de andere kant; we waren wel lekker vroeg klaar met spelen. Met een fijn optreden achter de rug én nog een paar leuke bands in het verschiet smaakt zo’n grote fles Duits bier dan extra goed.
Zo zaten we die zaterdag laat in de middag met de band na te praten over onze gig, toen Marcus Bonfanti door onze kamer annex kleedruimte naar de gang liep om een sigaret te roken. Ik volgde hem kort daarna. In de gang stond namelijk ook de koelkast. Onderweg raakte ik in een leuk gesprek met Marcus.

Even later voegde zich nog een Ten Years After-bandlid bij ons. Ook een roker. Ik herkende hem niet echt, maar was ervan overtuigd dat het bassist Leo Lyons was. Die had ik in 2008 al eens ontmoet, toen ik met Tony Spinner in het voorprogramma speelde van Ten Years After, op de markt in het Duitse stadje Eschweiler.
Na dat optreden van toen kwam ik met Leo Lyons aan de praat. Een vriendelijke man, complimenteus ook. Hij woonde nier meer in Engeland, vertelde hij, maar in Nashville. Dat was leuk, want ik zou kort daarna naar Nashville om een album op te nemen met Sonny Hunt. Dus we hadden gespreksstof. Bovendien was Lyons ooit producer van de rockband UFO. Dat vond ik cool.

En nu zag ik hem in Rendsburg dus weer: Leo Lyons. Tjonge, dacht ik, wel een heel oud mannetje geworden. Maar nog altijd die vriendelijke blik. Hij deed me denken aan mijn oude opa, wiens Perzische tapijtje inmiddels weer volop dienst doet als drumkleed.
Waarom hij nog steeds toerde?, vroeg ik hem. ‘Voor de lol?’
Hij nam nog een flinke hijs van zijn sigaret. Ik een slok Duits bier.
‘Jazeker’, benadrukte hij. ‘Ik doe het nog steeds heel graag.’
Dit weekend speelden ze in Duitsland, volgende week hadden ze twee gigs in Frankrijk. Hij zei het met een soort van trots. Dat ik wel goed begreep dat het nog altijd heel voorspoedig ging met zijn band.
Wat dat betreft veranderen muzikanten nooit. Hoe oud ze ook zijn.

Even later stond Ten Years After te spelen. Wat nieuw werk, maar vooral songs als One Of These Days, Help en uiteraard klassieker I’m Going Home. Oftewel het beste van dat legendarisch Recorded Live-album uit 1973. Marcus deed het goed als Alvin Lee-vervanger. Hij bleef zichzelf, dat alleen was al knap en mooi. Maar het was vooral ook de bassist die opviel. Hij leek het enorm naar de zin leek te hebben.
‘Goh, die ouwe Leo’, dacht ik nog.
Maar wat bleek toen Marcus de band ging voorstellen? Leo Lyons was helemaal niet Leo Lyons.
‘On bass-guitar: mr. Colin Hodgkinson!’, riep hij.
Ineens begreep ik dat die man, die ik vooral herkende als mijn oude opa, dus heel iemand anders was. Colin Hodgkinson! Ex-bassist van Alexis Korner, hij speelde een deuntje mee op Mick Jagger’s She’s The Boss en hij zat in Whitesnake ten tijde van de Saints & Sinners-tour. Ik zag ze in 1983 in Vredenburg in Utrecht. Colin ‘Bomber’ Hodgkinson, zo kondigde David Coverdale hem toen aan.
Goh, die aardige man waar ik net nog mee stond te praten was helemaal niet Leo Lyons, maar Colin ‘Bomber’ Hodgkinson!
Even verwarrend. Maar ook erg geinig.

En het was niet de enige verrassing, daar in Rendsburg.
Want na Ten Years After volgden Bernie Marsden en band. Wat een fijne gitarist! Ze speelden wat nieuw eigen werk en een handvol covers, zoals Oh Well van Fleetwood Mac en Booker T’s Born Under a Bad Sign. Uiteraard deed Marsden ook wat oude Whitesnake-songs. Zijn eigen songs. Hij zong ze opvallend goed. Beter dan David Coverdale dat heden ten dage doet. Veel beter. En dat zeg ik met enige spijt, want ooit was Coverdale één van mijn favoriete zangers.
Ik keek eens goed naar Marsdens’ bassist, die wat achterin stond. Beetje onopvallend in het donker. Zoals bassisten dat vaak doen. Ik keek nog eens. Hé, is dat niet Neil Murray? Ja, verrek, dat is hem. Dé Neil Murray. Ook al uit de goeie oude Whitesnake. Maar ook van Black Sabbath, van Peter Green en uit de band van Brian May. Én van de solo-albums van Cozy Powell.
Zo’n typische bassist. Eentje die nauwelijks opvalt, maar oh zoveel interessante dingen heeft gedaan. Hij stond op hetzelfde podium als wij daarnet.

De volgende ochtend zaten we allemaal in hetzelfde hotel aan het ontbijt. Ten Years After, Bernie Marsden, Neil Murray en The Veldman Brothers. We zeiden elkaar Good Morning en knikten vriendelijk. We namen koffie, thee, jus en lekkere broodjes met kaas, ei en zalm. Yoghurt met fruit ook nog. Alsof het heel gewoon is dat je met deze muzikanten in een ontbijtzaal zit.
Dat is het niet. Ik had heel graag met vooral Neil Murray gesproken. Over Whitesnake, over Brian May, over veel andere dingen en vooral zijn jarenlange samenwerking over mijn al lang overleden jeugdheld Cozy Powell.
Maar ja, je valt zo iemand op de vroege ochtend niet lastig. Je schuift niet even bij hem aan de ontbijttafel aan. Dus je staat op, knikt nog eens vriendelijk en stapt in de bus voor een lange rit naar huis.
Ik heb er een beetje spijt van.

Maar gelukkig hebben we Bernie Marsden de avond ervoor wel gesproken. Toen we tegelijk arriveerden bij het hotel. Heel onderhoudend praatje.
Hoe hij toch die fijne sound voor elkaar kreeg?, informeerde Gerrit nog. Gitaristen onder elkaar hè. Want Marsden gebruikte geen enkel effectapparaat. Zijn gitaar was rechtstreeks in zijn Marshall geplugd, zo hadden wij geconstateerd.
De gitarist klopte even een paar keer met zijn rechterhand links op zijn borst. Zonder poespas, eerder bescheiden.
‘From the heart’, antwoordde hij.
Gerrit en ik keken elkaar aan. Dat kwam ons bekend voor.
Het was een mooi moment! En veel beter had Marsden de essentie van muziek én van het in veel opzichten verrassende Bullen-festival niet kunnen samenvatten.

DW

’t Is wat.
Vorige week de accordeon verkocht. Afgelopen zaterdag m’n DW-kit.
Van de accordeon werd ik een beetje weemoedig. Dat de DW weg is gaat me aan het hart. En mijn vrouw haast nog meer. We hebben er nog net geen traantje om gelaten.
Maar soms ben je toe aan iets anders. En ik kan helaas niet alles houden, heb er simpelweg geen plek voor.

Nu zou ik hier een enorme lap tekst kunnen gaan schrijven over wat ik de afgelopen bijna veertien jaar allemaal samen met dat mooie witte drumstel heb meegemaakt. Zoals ik dat meestal doe.

Over die zaterdagochtend in januari 2004 bijvoorbeeld, toen ik ‘m ophaalde bij Interdrum in Winterswijk. Eigenaar Tonny Kamperman sloeg ter demonstratie nog eens heel hard op de floortom. ‘Wow’, zei die erbij. Alsof hij zelf ook nog verrast was door de vette warme sound.
Ik wilde Bonham-style en kreeg dat ook.
Of die zondagochtend er na toen we gingen repeteren met Poundcake en ik door de Achterhoek richting ons toenmalige oefenhok in Lobith reed, met de DW in de achterbak. De weg was net iets mooier dan anders.

De auditie bij Tony Spinner een jaar later, in de toenmalige ‘bandhouse’, onderaan de dijk, naast het kerkje in Ravenswaaij. Dat mooie kerkje dat ik op zondagochtend, wanneer de bandhouse soms ons hotel was, nog wel eens vervloekt heb.
Tony hielp mee m’n drumkit uitladen. Dat vond ik al bijzonder. Het voelde goed, die allereerste ontmoeting. En naar verluidt scoorde ik direct punten toen ik die enorme DW-bassdrum uit die nog enormere hardcase haalde en ‘m in de woonkamer annex repetitieruimte opstelde. Tony had net z’n album Chicks & Guitars uit. Meer rock dan blues in die tijd. De vette DW paste daar goed bij.
De fijne, geslaagde en zelfs gemoedelijke auditie heeft m’n muziekcarrière tot op de dag van vandaag een geweldige boost gegeven.

Over de navolgende tours met Tony. Ons eerste optreden in Spirit of 66 in Verviers. De mooiste live-club van België. Voor zover ik ze ken dan. De immer relaxte eigenaar, boeker en geluidsman Francois gaf me na afloop een hele grote sticker van zijn Spirit. Die zit sindsdien op die hele grote bassdrumcase.
Of die keer dat we van Berlijn naar Salzburg reden en de bandbus er halverwege de brui aan gaf. Ik zie nog voor me hoe de bus, met de hele backline achterin, in een hoek van misschien wel 45 graden de Duitse sleepwagen op werd gehesen. Ik was bang dat mijn DW helemaal verpletterd zou worden door de naar achteren schuivende gitaar- en bassamps. Maar leve de hardcase! Mijn drumkit was ongedeerd. De bus de volgende dag ook weer. De tour ging verder.

Over het Spinner-album Live in Europe, met daarop enkele opnamen van de gig in de Bluesgarage in Hannover. Ik vind het geluid van de DW daar te massief. Op het navolgende Rollin’ & Tumblin’ klinkt ie wel fijn. Net als op Sonny Hunt’s Hitting The Noot. Maar voor de opnamen van het laatste Veldman Bros-album Refuel, koos ik voor een andere kick. Een oude, groene 22″ Pearl. Niet de ‘kanonskogel’ die 24″ DW was.

Misschien ook over mijn korte tijd in de toen nog prille Leif de Leeuw Band, waarin ik soms ook twijfelde of de DW niet te vet was voor de blues. Hoewel, Leif’s band was toen eigenlijk nog een veredelde Free-tribute. Daar paste die sound wel weer goed bij. Maar bij The Etta James Experience koos ik later om de lichtere Sonor-kit te gebruiken.

Of over onze Nuno, die als negenjarig jochie op dat grote drumstel de soundcheck voor mij deed bij Sonny Hunt, op een al lekker gevuld Marktplein in Enschede. Waar hij voor het eerst applaus kreeg. Hij trots. Ik ook.
Mooi ook, met Rob Orlemans op het grote Appelpop. En uiteraard de 140 gigs, de afgelopen twee jaar, met mijn brothers Gerrit, Bennie en Fred.
En dan die geluidstechnici die enthousiast waren over de DW-sound. Die me voor gek verklaarden, de laatste maanden, als ik vervolgens vertelde dat ik van plan was om de DW te verkopen. Soms sloeg de twijfel even toe.

Over veel belangstellende bieders op de DW. Raar fenomeen dat Marktplaats. Ik fatsoenlijk op al die bieders reageren. Maar de meesten laten vervolgens gewoon nooit meer iets horen. Waarom bied je dan?? Ik zal er wel te oud voor zijn. En te keurig-netjes.
Dus even dacht ik dat ik hem niet kwijt zou raken. Ja, mooie kit, zeiden de bieders die wél iets lieten horen. Maar dan was de kleur te wit, die paar nauwelijks zichtbare krasjes te groot, de prijs te hoog of de sound te specifiek.
Ja, dat was het nou precies: specifiek. Dat maakte de DW zo mooi, maar ook niet voor iedereen geschikt.

Over die laatste koper, die afgelopen zaterdagmiddag belde, vervolgens anderhalf uur in de auto zat naar de NR2 in Vorden, waar mijn DW tussen de gitaren en amps in de winkel mocht staan (met dank aan Piet Grasmeijer!). Twee uur later was de kit verkocht. Precies wat hij zocht. Zo’n specifieke sound.
Ik speelde er zaterdag nog één keer op. Heel hard. En deed vervolgens voor het allerlaatst die enorme bassdrum in die nog enormere hardcase. Zoals ik al wel honderden keren had gedaan. In die grote koffer, die je met één hand niet kan dragen en die in bijna geen enkele auto past. Ik sjouwde het bakbeest naar buiten en riep ondertussen tegen Piet: ‘Zie je nou waarom ik hem verkoop!?’
Ja, dat begreep Piet wel.

Over die onbekende grote auto waarin de DW verdween, waarvan we de blije eigenaar nog eens de hand schudden en die toen wegreed. Met mijn drumstel achterin.
En al die herinneringen die er bij horen.
Maar ik ga het niet allemaal hier opschrijven. Gelukkig heb ik de foto’s nog.

Accordeon

Afgelopen weekend afscheid genomen van mijn accordeon.
Had jij een accordeon dan??
Ja, al 45 jaar. Waarvan ik er de eerste drie jaar op heb gespeeld. Twee misschien.

De andere 42 jaar, 43 misschien, is het ding achter me aangereisd. Ik kon er moeilijk afscheid van nemen, het eerste echte instrument waarop ik heb leren muziek maken. Naast mijn wasmiddeldozendrumstel dan.
Het was een heuse Marinucci, naar verluidt best een goed merk. Twee-korig, 80 bassen. Overal waar ik woonde ging hij mee, die grijze accordeon. Stond die daar weer, in de kamer, op de slaapkamer, als decoratie in de gang of gewoon weggestopt op zolder. Maar altijd was die in de buurt.
De laatste jaren had hij een vast plekje op onze werkkamer. Alleen als ik ging stofzuigen, werd die even van zijn plaats getild. Maar dat gebeurde niet zo vaak.

Het ding stond er dus maar te staan. Zet me een eenvoudige partituur voor de neus en ik zou er nog best iets van kunnen maken, maar het gebeurde nooit. Laatst suggereerde mijn zwager dat de accordeon best nog eens van pas kon komen voor het geval The Veldman Brothers een zydeco-nummertje zouden gaan doen. Blues & Roots is een breed begrip tenslotte. Dat laatste kon ik niet ontkennen. Maar waarschijnlijk val ik dan enorm door de mand.

Zo gebeurde het dat hier in huis steeds vaker de term Marktplaats viel. En uiteindelijk kwam het er van. Het ding stond nog maar net te koop of er meldde zich al een Twentse handelaar in accordeons. Met naam en website, het klonk vertrouwd, dus een deal was snel gesloten.
‘Je mag hem komen halen’, schreef ik.
‘Wil je hem opsturen?’, mailde hij terug.
Opsturen? Zo’n enorm ding, waarvan de grote bruine koffer met die Alice Cooper-sticker ergens in de afgelopen 40 jaar is kwijtgeraakt. Dat dan weer wel.
Ik had geen idee in wat voor envelop of doos ik de accordeon dan wel zou moeten versturen.

Maar, zo realiseerde ik me ineens, komende vrijdag moet ik spelen in Hengelo. Dat pittoreske Twentse dorpje waar de accordeon-handelaar woont, ligt daar toch ergens in de buurt. Dacht ik althans.
‘Ik kom hem vrijdagavond wel even brengen’, mailde ik de man.
Oh, daar was hij wel blij mee. En we spraken een extraatje voor de moeite en benzine af.

Maar goed, net zoals veel mensen ten onrechte denken dat Zutphen en pakweg Groenlo heel dichtbij elkaar liggen, zo bleek dat evenmin het geval met Hengelo en dat mooie dorpje, ontdekte ik vervolgens al snel. Heb zo’n beetje half Twente gezien, afgelopen vrijdagavond. Gelukkig hoefde ik pas om half tien op het bluesfestival in Hengelo te zijn, dus ik had de tijd. En beloofd is beloofd.

De accordeonreparateur legde de Marinucci op de keukentafel en bekeek hem aandachtig. Rammelde er wat aan, blies wat stof weg en vroeg vervolgens of ik er altijd op had gespeeld.
‘Ja, maar dat is nogal lang geleden’, zei ik.
Het ding zag er nog best redelijk uit, zo begreep ik van de man. En hij is een kenner.
‘Je moet zo’n instrument niet te lang laten liggen met al die stof enzo. Het kan zijn dat het dan na een jaar of vijf, zes ineens helemaal gebeurd is’, zei hij.
Oeps, dacht ik. En glimlachte. ‘Nou, het was wel iets langer. Gelukkig dat ie het nog doet.’

De accordeonman zou hem gaan renoveren en dan weer gaan verkopen. Dat leek me een mooie gedachte. Dat er dan misschien weer een piepjonge accordeonist op gaat spelen. Net als ik 45 jaar geleden. En hopelijk dat die het dan wat langer volhoudt dan drie jaar. Of twee. Tenzij hij wil gaan drummen natuurlijk. Of zij.
We rekenden af. Het geld lag al klaar, aan de andere kant van de tafel. Het was ietsje teveel.
‘Je krijgt nog twee euro vijftig terug’, zei ik.
‘Nee, dat is goed. Is voor de moeite’, antwoordde hij. ‘Veel plezier straks in Hengelo.’
‘Dank je’, zei ik.

We gaven elkaar een hand, voor de tweede keer in drie minuten.
Nog één keer wierp ik een blik op de keukentafel. En ben daarna zonder omkijken de deur uitgelopen.
Ik reed richting Hengelo, een half uurtje. En voelde zowaar enige weemoed.
Naar mijn goeie ouwe grijze accordeon.

Ierland

Net terug van een fijne gig met de Brothers op Texel. Tot half drie gespeeld gisteravond, daar in die mooie American Steak House in Den Burg. Heel diep in de nacht werd het dus. Maar ja, je bent niet iedere week op een Waddeneiland en het is niet altijd zomer in de herfst, dus samen met Petra vandaag, ondanks de korte nacht, een heel klein stukje eiland verkend en lekker langs het strand gelopen. Toch nog iets van Texel gezien én zeelucht gesnoven.
Dat was lekker! Meestal schiet dat sightseeing er bij in als je met de band op pad bent. Geen tijd voor. Helaas.

Ik moest ineens denken aan die ene keer in Ierland, ook overzee, maar dan iets verder. Een prachtig land, als ik alle plaatjes, 3OpReis, mijn vrouw en wie al niet meer moet geloven. Maar ik heb er niets van gezien. Ja, het stukje van het vliegveld van Cork naar het centrum van die stad. En de volgende dag datzelfde stukje weer terug. Het is niet echt blijven hangen.

Toch was het een gedenkwaardig tripje, dat ik precies elf jaar geleden, in oktober 2006, met Rob en Piet maakte naar Cork. Ik speelde destijds in twee bands: af en toe een tourtje met de Tony Spinner Band en volop met Rob Orlemans & Half Past Midnight. Rob is daarin al sinds jaar en dag Rob. En Piet en ik waren toendertijd Half Past Midnight. De band had net Libertyville, z’n vijfde album, uit en we speelden veel om die plaat te promoten. Vooral in Nederland, soms in België of Duitsland en op een goede dag vlogen we voor één gig naar Ierland. Zaterdag heen, zondag terug.

Dat is nog best een gedoe, één zo’n optreden overzee. Texel is al een aardige reis. Laat staan Ierland.
Zaterdag ’s ochtends al voor dag en dauw, in het pikkedonker, in de auto naar bandstandplaats Tiel, van waaruit we gezamenlijk naar Schiphol vertrokken. Daar verliep het allemaal soepeltjes. We parkeerden, checkten in, dronken koffie, vonden de goeie gate en vervolgens onze plek helemaal voorin het vliegtuig. Met z’n drieën op een rij. Rob aan het gangpad. Half Past Midnight ernaast. Drie stoelen voor de hele band.

Maar op een goed moment – we stonden nog aan de grond – rook Rob een vreemde lucht. Gas ofzo.
‘Ruiken jullie het ook?’. Rob keek er niet echt relaxed bij.
En verdomd, Piet en ik roken het ook. Het was er echt! Zo leek althans. Of het dan komt omdat je ’s ochtends om half vijf al bent opgestaan of omdat je er zenuwachtig van wordt, maar ik herinner me dat ik er zo’n beetje de slappe lach van kreeg. Zeker ook toen een door ons gealarmeerde stewardes het ook leek te ruiken maar vervolgens net iets te nonchalant deed alsof er niets aan de hand was.
‘Pas op, Rob. Dadelijk gaat je hele Half Past Midnight echt de lucht in’, zei ik nog.
We lagen in een deuk.

We gingen kort daarna inderdaad de lucht in, maar de grote knal bleef uit. De gaslucht was ineens verdwenen en vervolgens ook vergeten. En een uurtje of twee later landden we keurig op Cork Airport. Het was intussen rond de middag, het weer in Cork was redelijk en de eigenaar van de Beale Street Bluesbar, waar we die avond gingen spelen, stond ons netjes op te wachten. Even bijkomen en vervolgens een rondje door de stad gemaakt. Daar hadden we nog net even tijd voor.

Gelukkig maar, want Cork is de stad waar de geest van ons aller bluesheld Rory Gallagher rondwaart. Zo lag Beale Street pal naast ‘Taste! – The Rory Gallagher café’. Die kroeg was genoemd naar Gallagher’s bluesrocktrio dat in de sixties zijn thuisbasis had in Cork. Naar verluidt kwamen de voormalig Taste-leden er nog regelmatig een pintje drinken. Ook liepen we langs de Cork City Hall, waar Gallagher in januari 1974 een deel van zijn legendarische live-album Irish Tour ’74 opnam. En we gingen in het drukke stadscentrum op zoek naar het Rory Gallagher-plein, dat we na enige omzwervingen vonden. Mooi was dat.

Inspiratie genoeg voor een goeie gig, kortom. En dat werd het ook. Groot was het niet, de bovenverdieping van het Beale Street Bluescafé. Het viel eerlijk gezegd nogal tegen. Maar hé, sfeervol wel, warm ook en met zo’n 150 stevig drinkende Ieren helemaal volgepakt.
Het was heel even wennen op die blauwe PDP-drumkit. Maar na een vette versie van de destijds standaard opener Going Down en het navolgende nummer, waarvan ik geen idee meer heb welke dat was, ging het best en speelden we ons twee lange sets en een paar flinke toegiften lang in het zweet.
Het Ierse publiek vond het mooi. Het werd langzaam diep in de nacht. Maar als de vibe goed is, dan voel je niet meer dat je een etmaal eerder ook al diep in de nacht was opgestaan. Sterker nog, de Ierse pints smaakten nadien best.

En zo werd het nog dieper in de nacht toen we ons bed vonden in een motel even buiten de stad. Een niet al te duur ding, want er was geen ontbijt. Maar daar was de organisatie op voorbereid. We hadden budget voor een taxi en ontbijt meegekregen. En zo liepen we zondagochtend met een niet al te fris hoofd – ik althans niet – alweer door Cork, waar het mooie weer verdwenen was. Grijs, regenachtig was het. We vonden gelukkig al snel een leuke gelegenheid voor een stevige breakfast en een goeie kop koffie. Daar knap je dan wel weer van op.

Een taxi bracht ons vervolgens terug naar Cork Airport, alwaar Rob in de rij voor de incheckbalie zoals gewoonlijk al vlot met een onze mede-passagiers aan de praat kwam en vertelde over onze gig bij Beale Street van gisteren en over eerdere Half Past Midnight-tours in Amerika van veel langer geleden. Van voor mijn tijd helaas.
En of het nou het tekort aan slaap was of de sterke Ierse koffie van even daarvoor, we hebben weer enorm gelachen, daar in die rij op Cork Airport. Een vliegveld waar overigens ooit voor is gelobbyd om het om te dopen in Rory Gallagher Airport. Hetgeen mij een mooi eerbetoon aan die legendarische Ierse bluesrocker zou lijken.

Een soort van legendarisch was ons bliksembezoekje aan Cork en Ierland ook. Eén van de goeie herinneringen aan mijn tijd met Rob Orlemans & Half Past Midnight.
Graag zou ik nog eens teruggaan naar Ierland. Om te spelen? Ja ook! Maar vooral om nu eens met eigen ogen te zien hoe prachtig dat land werkelijk is. Dat zou er eigenlijk eens minder bij in moeten schieten.

Aldridge

De man bij de ingang scande onze entreekaartjes.
‘Oordopjes liggen rechts op de bar’, voegde hij er aan toe.
Oordoppen??
Mijn drummaatje Arno en ik keken elkaar aan. We lachten schamper.
Oordoppen? Dan kende hij ons nog niet.
We zijn geen watjes. En ook die gebruiken we trouwens niet.

Nou ja, tijdens de drumles hebben mijn drumleerlingen en ik wel gehoorbeschermers op. Want het gaat soms behoorlijk hard met die drums en muziek. Dan zijn oordoppen verplicht. Ook voor mij.
Maar tijdens optredens gebruik ik ze zelden of nooit. Stom, hoor ik vaak. Maar ik vind het onprettig. En kennelijk kunnen mijn oren wel wat hebben, want ik heb ook na bijna 40 jaar live spelen nergens last van. Behalve dan dat mijn vrouw zegt dat ik de televisie vaak wel erg hard heb staan. Maar daar heeft zij dan vooral weer last van.

En dus namen Arno en ik, goedgemutst en zonder oordoppen, vorige week donderdagavond plaats op de tweede rij in de bovenzaal van Terpstra Muziek Drumland in Lijnden, onder de rook van Amsterdam. Op het podium, een paar meter verderop, de grote Yamaha-kit van Tommy Aldridge, al decennia één van de beste en bekendste hardrockdrummers van van de wereld. Dubbele kit met vooral veel cymbals. Ik telde er dertien, inclusief een ride en een splash. Dan blijven er nog elf crashes over. Dan raak je er altijd wel eentje.
Verder heeft Aldridge twee hihats, beide aan de linkerkant, vlak naast elkaar. Eén daarvan is continu dicht, die gebruikt hij op de momenten dat hij dubbel bass speelt. En dat gebeurt nog al eens, zo wisten Arno en ik.

Want we kennen veel van al die min of meer legendarische rockalbums waarop Aldridge speelt. Tribute en Bark At The Moon van Ozzy natuurlijk, Go For What You Know van bluesrocker Pat Travers en niet te vergeten Slip Of The Tongue van Whitesnake, een LP waar ik destijds reikhalzend naar uitkeek, maar die eigenlijk toch ietsje tegenviel, na het imposante 1987. Maar dat wilde ik toen niet toegeven.
Whitesnake was in de jaren tachtig namelijk mijn favoriete band. En Tommy Aldridge één van mijn favoriete drummers, samen met John Bonham, Cozy Powell en nog wat van die rockers. Dus ik was maar wat opgetogen toen Aldridge eind jaren tachtig bij ‘mijn’ Whitesnake ging spelen.

Ik zag hem voor het eerst live tijdens het Monsters of Rock-festival in 1990 in het Utrechtse stadion Galgenwaard. Dat was sowieso een bijzonder concert, want één vak verder op de Galgenwaard-tribune spotte ik dat mooie Baakse meisje, die ik een tijdje later leerde kennen en met wie ik inmiddels al 26 jaar samen ben. Ondanks het volume van de tv.
Maar ik herinner me ook een spetterend concert. Met een grootse ovatie en het destijds onvermijdelijke ‘olé olé’ voor onze Adje Vandenberg, die even daarvoor zijn eigen band had ingeruild voor een plekje bij Whitesnake. Maar vooral herinner ik me ook die solo van Aldridge, met zijn dubbele bassdrums en het intermezzo waarin hij de stokken weglegt en met zijn blote handen de snare en toms beroert. Net als Bonham dat ooit deed.

Tommy Aldridge is met recht de kleine man van het grote gebaar. Dynamiek, subtiliteit, ghostnotes, kom er niet om bij hem. Aldridge is van dik hout. Van boomstammenhout. Ieder klap is snoeihard en raak. Liefst vooraf gegaan door al dan niet boven zijn krullende hoofd draaiende sticks. ‘Want het oog wil ook wat’, aldus Aldrindge,
En zo ging het in eerste instantie ook tijdens de clinic bij Drumland. Zonder iets tegen ons, het publiek, te zeggen speelde hij mee met vijf backingtracks, waaronder Bad Boys, Judgement Day en Crying in the Rain van Whitesnake. En dat deed hij alsof hij met de voltallige band op het podium in de Madison Square Garden stond. Ofwel vol overgave.
Ik moet eerlijk bekennen dat ik op een goed moment toch even begon te twijfelen aan de ‘powerplay’ van Aldridge. Vond ik het nog wel mooi? Mijn voorkeur voor drummers, grooves en sounds is de laatste tien, vijftien jaar veranderd, dat werd mee eens te meer duidelijk. Ik hou juist wel van de dynamiek, de subtiliteit. Graag meer blues en soul in plaats van enkel spierballen. Eigenlijk vind ik de oude, meer bluezy Whitesnake, die van vóór 1987, met terugwerkende kracht veel interessanter dan die van daarna.

Maar toen Aldridge na vijf keiharde songs en een drumsolo inclusief het blote handen-stuk, begon te vertellen was ik weer helemaal om. Wat een sympathiek en onderhoudend verhaal! Niks geen interessantdoenerij, wel humor en zelfreflectie. Aldridge vertelde hoe dat harde spelen ooit zijn handelsmerk werd. Hij kon zich onderscheiden, kreeg er jobs door, merkte hij al snel. ‘Ik was niet beter, ik was ánders dan anderen. Dat triggerde me’, zo zei hij.
Maar het was ook zijn toewijding die me pakte. Alles aan de kant om iedere avond de allerbeste prestatie te kunnen leveren. Geen drank en drugs, maar fit blijven. ‘Want dat verdient het publiek’, aldus Aldridge, die nog altijd zei te genieten van het spelen. ‘Reizen en leven in hotels, dat voelt wel als een soort van werk. Maar drummen is geen werk. Nooit geweest.’

Hij speelde tenslotte nog het machtige Still Of The Night van Whitesnake en hij had me weer helemaal te pakken. Die jongen van 67 jaar oud. Nog altijd met die imposante bos krullen en dat tengere, afgetrainde lijf. Topfit en volledig toegewijd. Qua stijl is Aldridge niet meer mijn grote voorbeeld, daarvoor zitten we, zeg maar, teveel in een andere andere muzikale hoek. Maar wat betreft attitude en mentaliteit zou hij een voorbeeld moeten zijn voor iedere drummer en iedere muzikant. Alles voor de muziek, nog steeds na al die jaren en al die successen. Met onverminderde energie. En nog steeds met een ongelooflijke power. Ik geloof dat ik nooit een drummer heb gehoord die zo hard speelt.

Na de eerste twee nummers heb ik mijn plek op de tweede rij, een meter of vijf van Aldridge’ kit, zijn cymbals en vooral die knallende snare, heel even verlaten. Ben snel naar achteren gelopen, richting de bar. Aan de rechterkant, daar lagen de oordopjes.